Recensie: Peter Sloterdijk – Het continent zonder eigenschappen
Schiereiland Europa
Durf Europa te beschouwen als een zichzelf schrijvend boek en plaats bladwijzers tussen de pagina’s, daar waar je denkt: ‘ja, dat is Europees!’ Misschien leidt dat tot een antwoord op de vraag ‘wat Europa doet wanneer het zichzelf is’, aldus Peter Sloterdijk in zijn nieuwste boek, getiteld Het continent zonder eigenschappen – bladwijzers in het boek Europa. Sloterdijk meent dat een pragmatische benadering – een portret of biografie van Europa samenstellen op basis van wat Europa doet en deed – meer oplevert dan een essentialistische, die probeert het wezen van Europa bloot te leggen.
De titel verwijst uiteraard naar Musil’s grote (onvoltooide) roman Mann ohne Eigenschaften, een parodie, opgebouwd rond de overtuiging van de hoofdpersoon dat een mens beschouwen als geheel van zijn eigenschappen blind maakt voor zijn wezen. Sloterdijk bundelde in Het continent zonder eigenschappen de in het Duits geschreven concepten van zeven lezingen, in het Frans gehouden voor het Parijse Collège de France in het voorjaar van 2024. Ze worden voorafgegaan door twee ‘openingstoespraken’.
Geografisch bekeken is Europa een grillig gevormd schiereiland aan de westkant van het immense Euraziatische continent. Het idee dat de barrière van een hooggebergte Europa scheidt van het Aziatische deel van dat continent (en dus zo anders maakt) is een geografisch misverstand: een groot deel van de Oeral is weinig meer dan vals plat. Qua bevolkingsaantal is Europa maar een kleine minderheid van de totale bevolking van het continent, ook al tel je alle Russen mee, ook de Siberische.
Europa heeft eeuwenlang gedaan alsof haar toeviel wat zij op de wereld ontdekte aan land en rijkdom. Uitbreiding was haar beginsel en exploratie steeds het startpunt van exploitatie. Sloterdijk beargumenteert die attitude met vertoon van eruditie aan de hand van de grote pestepidemieën die in de late Middeleeuwen een derde deel van de Europese bevolking opeisten. De snelle bevolkingsgroei die daarop volgde, leidde tot een overschot aan jonge mensen voor wie Europa economisch nog niet genoeg te bieden had. Voeg dat bij de groei van ‘durfkapitaal’ en je begrijpt waarom steeds meer schepen de riskante tocht naar het veelal nog onbekende aandurfden en zich in Noord- en Zuid-Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika en in ‘De Oost’ Europese kolonisten vestigden.
Moderne Europeanen lijken het er in ruime meerderheid over eens te zijn dat ‘democratische levensvormen’ voor hen het meest adequaat zijn. Daar zegt Sloterdijk in lezing 4 in de hem kenmerkende stijl dit over:
De optie voor democratie volgt bij hen uit het door ervaring ondersteunde vermoeden dat zij het politieke mechanisme levert dat de optelsom van roerselen van de superbia (hoogmoed – hvdh), de uitingen van de amour-propre en de projecties van zowel het zieke als het gezonde narcisme (om de drie stadia van het ‘egoïsme’ in dit deel van de wereld nogmaals te noemen) het beste reguleert. Als multi-superbische, multi-zelfzuchtige, multi-narcistische maatschappelijke orde en staatsorde vertrouwt het historisch ervaren Europa op de wederzijds dempende effecten van een groot aantal particuliere en collectieve egoïsmen, of beter gezegd: van een groot aantal geciviliseerde huichelarijen, die de vorm aannemen van partijen en corporaties.
Het duurt misschien even eer de betekenis van deze passage – die exemplarisch is voor Sloterdijks stijl – ten volle tot je doordringt en herlezen kan noodzakelijk zijn, maar dan begrijp je dat Europeanen democratie omarmen omdat alternatieve, autoritaire staatsvormen bepaalde egoïsten en hun hoogmoed, eigenliefde en narcisme vrij baan geven ten koste van andere, met alle ellende van dien. En je begrijpt ook waarom veel niet-Europeanen de staten van Europa als net zo huichelachtig en onbetrouwbaar beoordelen als continentale Europeanen Groot-Brittannië plachten te doen, als ‘perfide’.
Sloterdijk wijdt twee lezingen aan respectievelijk De grote revoluties. Autobiografie van de Westerse mens (1931) van Eugen Rosenstock-Huessy, een mij onbekende auteur, en De ondergang van het Avondland (1918, 1922) van Oswald Spengler. Beide werken zijn volgens Sloterdijk bladwijzers in het boek van Europa. De grote revoluties behandelt weliswaar duizend jaar geschiedenis, maar kan geïnterpreteerd worden als een (hele dikke) veldpostbrief van een soldaat in de loopgraven van Verdun, die uitlegt dat hij daar is omdat hij is gegrepen door een idee waarvoor hij zich inzet met heel zijn bestaan. De geest van de revolutie is vaardig over hem en werd dat duizend jaar geleden al over de Europese, utopistische mens, wiens twintigste-eeuwse verschijning hij is.
Tegenover dat utopisme staat Spenglers cultuurhistorische morfologie, die beschrijft hoe en waarom met mathematische zekerheid en binnen afzienbare tijd de ondergang van de cultuur van het Avondland, het Westen, een feit zal zijn. Het waarom ligt volgens Spengler besloten in de voltooiing van die cultuur, die vervolgens alleen maar kan overgaan in een toestand van entropie.
Twee wereldoorlogen leken evenzovele bevestigingen van Spenglers cultuurpessimisme. Europa raakte definitief haar positie als centrum van de wereld kwijt, dat klopt, maar evengoed is volgens Sloterdijk in minder dan een eeuw op West- en Midden-Europese bodem ‘een niet te resumeren rijkdom aan levensvormen, aan kunst en cultuur, mobiliteit, creativiteit en sensibiliteit tot ontwikkeling gekomen, die door hun pure bestaan alle summiere cultuurpessimistische oordelen logenstraffen, ook al ontbreekt het niet aan verschijnselen die het verdienen onder rubriek ‘decadentie’ te worden geschaard.’
Declinisme (neer- en ondergangsdenken, zoals dat van Spengler) met zijn valse profeten en dito profetieën zijn ook daarom een bladwijzer in het boek van Europa, omdat er steeds weer bewegingen opduiken die de ondergang prediken, vaak en tegelijkertijd zichzelf als redder presenterend, zonder zich te realiseren daarmee in tegenspraak met zichzelf te zijn. Het is de vraag wat schadelijker is, de mythe van de ondergang of de mythe van de redder.
Sloterdijk spaart de lezer niet. Hem lezen kan hard werken zijn en vergt vaak een lenige geest. In één alinea kan hij, links en rechts citerend, zweven van Oudheid via Middeleeuwen naar Verlichting en Romantiek om te landen op een regel uit een songtekst van Pinkfloyd, ’there is someone in my head, but it’s not me’. Maar je kunt niet anders dan bewondering opbrengen voor zijn eruditie en voor de gewaagdheid van zijn interpretaties, zijn stellingnames en zijn argumentaties. En er is veel cultuurhistorische en cultuurfilosofische rijkdom te putten uit zijn werk, ook uit Het continent zonder eigenschappen.
Hans van der Heijde
Peter Sloterdijk – Het continent zonder eigenschappen – bladwijzers in het boek Europa. Vertaling Mark Wildschut. Boom, Amsterdam. 284 blz. € 29,90.
