Recensie: Volker Ullrich – Noodlotstijden van een democratie – de onstuitbare ondergang van de Weimarrepubliek
Leren van Weimar
De Weimarrepubliek, de eerste democratische Duitse staat, die bestond van 1918/19 tot 1933 – net iets langer dus dan het Duizendjarig Rijk van de nazi’s, het kan geen kwaad daar nog eens de aandacht op te vestigen – staat bij historici, politieke wetenschappers en in de politieke journalistiek weer flink in de belangstelling. De reden laat zich raden: vrijwel alle huidige democratieën worstelen met de toenemende invloed van radicale rechts-nationalistische partijen en bewegingen die democratisch-rechtsstatelijke waarden en normen ondermijnen. Vergelijkingen met de Weimarrepubliek en de processen en gebeurtenissen die tot haar ondergang leidden, dringen zich dus op. Ook al zou het doemdenken zijn om actuele ontwikkelingen als zo’n herhaling van de geschiedenis te interpreteren, dan nog kunnen er waardevolle lessen uit haar ondergang getrokken worden.
In 2021 verscheen bij Van Oorschot het monumentale De Weimarrepubliek 1918 – 1933, over de kwetsbaarheid van de democratie, van de Leidse universiteitsdocent Patrick Dassen. Het boek werd op Tzum lovend besproken op 1 december 2021. Onlangs publiceerde De Arbeiderspers Noodlotstijden van een democratie, de onstuitbare ondergang van de Weimarrepubliek, van de Duitse historicus en journalist Volker Ullrich, waarvan het Duitse origineel in 2024 uitkwam. Wie Dassens boek apprecieerde, zal dat zeker ook dat van Ullrich doen en concluderen dat ze elkaar eerder aanvullen dan spiegelen. Dassen besteedt veel meer aandacht dan Ullrich aan de ontwikkelingen in kunst en cultuur en aan de verhouding tussen cultuur en politiek, Ullrich is diep in de archieven gedoken en beschrijft en analyseert diepgaand de manipulaties waarmee conservatieve politieke leiders de Weimarrepubliek ondermijnden en de weg vrijmaakten voor Hitler. Ullrichs boek is veel meer dan dat van Dassen een politieke geschiedenis van de Weimarrepubliek.
Ullrich is journalist en dat zie je aan zijn heldere, soepele stijl en aan de spanning die hij weet aan te brengen in zijn betoog: je weet hoe het afloopt en toch maakt Ullrich je in elk hoofdstuk nieuwsgierig naar het volgende. Ik licht een paar kwesties uit zijn boek die ik niet eerder zo behandeld zag als hij doet. De dolkstootlegende – het Duitse leger zou de oorlog niet hebben verloren als niet linkse en joodse opruiers het thuisfront hadden verzwakt – is genoegzaam bekend, maar niet een andere populaire mythe, de Kriegsunschuldlüge, die verkondigde dat het een propagandistische leugen was dat Duitsland en Duitsland alleen schuldig was aan het uitbreken van de (Eerste) Wereldoorlog. Bij de onderhandelingen voor een vredesverdrag rechtvaardigden de geallieerden harde eisen over herstelbetalingen met die Duitse schuld. Ullrich concludeert dat het verdrag van Versailles zo hard niet was als men het in Duitsland voorstelde en zeker niet zo hard als het verdrag van Brest-Litovsk, door Duitsland opgedrongen aan het revolutionaire Rusland. Dat Duitsland schuld droeg aan de oorlog was geen leugen: het Duitsland van Kaiser Wilhelm – en Duitsland alleen – was verantwoordelijk voor het uitbreken ervan. Na de moord in Sarajevo op de troonopvolger van de Oostenrijkse keizer werd de laatste door Duitsland min of meer gedwongen tot een oorlogsverklaring, opdat Duitsland dat ook doen. In Berlijn had het kabinet-Ebert begin 1919 geheime documenten gevonden die dat bewezen, maar besloten die niet openbaar te maken, nu juist om de positie van de eigen vredesverdrag-onderhandelaars niet te verzwakken.
De vlaggenkwestie bleef een pijnpunt van 1918 tot 1933. De sociaaldemocraten pleitten voor een zwart-rood-gouden nationale driekleur, die ook de vlag was geweest van de democratische revolutie van 1848/49. Rechts hield vast aan het zwart-wit-rood van het Duitse keizerrijk. De vlaggenstrijd eindigde met een compromis: de nationale driekleur werd zwart-rood-goud, maar de koopvaardij mocht het zwart-wit-rood hijsen, mits met een kleine zwart-rood-gouden geus. De vlaggendiscussie werd pas definitief beslecht door de nazi’s, met hun rode hakenkruisvlag. Ik voer de vlaggenkwestie op omdat in het Duitsland, maar ook in het Nederland van nu, radicaalrechts vlagfetisjisme de kop heeft opgestoken. In Duitsland wordt bij AfD- en wappie-optochten ook de keizerlijke driekleur meegevoerd, terwijl extreemrechts in Nederland met oranje-blanje-bleu zwaait en/of het rood-wit-blauw ondersteboven aan de vlaggenstok heeft gebonden. Velen zullen zeggen: ach, infantiel gedoe dat er weinig toe doet. Infantiel gedoe: ja. Weinig toe doen? Dat weet ik nog zo net niet. Internationale sportevenementen staan sinds een jaar of twintig, dertig bol van vlagvertoon. Nationalistisch vlagvertoon. Nationalisme en vlagfetisjisme gaan hand in hand.
Zijn er belangrijker parallellen te trekken tussen toen en nu? Ja. Misschien wel de belangrijkste is de opportunistische en huichelachtige omgang van het toenmalige en het huidige radicaal-rechts met principes van de democratische rechtsstaat. Daar luidkeels een beroep op doen als kritiek moet worden ontweken, die achteloos met voeten treden als het derden betreft en met betrekking tot ongewenste derden die principes simpelweg overboord zetten.
Een andere parallel is de verdediging van de democratische rechtsstaat. In de Weimarrepubliek waren het uiteindelijk alleen nog de sociaaldemocraten van de SPD die bereid waren daarvoor in het geweer te komen. Anno nu lijkt het in stand houden van de Brandmauer tegen radicaalrechts ook steeds meer een zaak van de SPD, want bij de rechtervleugel van CDU gaan steeds meer stemmen op om de AfD niet langer als coalitiepartner uit te sluiten, zeker niet in deelstaten waarin de AfD groot is. In Nederland vindt de VVD ‘cordon sanitaire’ een vies begrip en de rechtervleugel van het CDA ergert zich meer aan links dan aan radicaalrechts. Kortom, als het op bescherming van de democratische rechtsstaat aankomt, moeten we in Nederland vooral bij sociaaldemocraten en linksliberalen zijn.
Net als Dassen wijst Ullrich op het gewicht van contingentie. Het stond niet in de sterren geschreven dat de Weimarrepubliek in 1933 ten onder zou gaan. Op vele momenten in haar korte geschiedenis hadden andere beslissingen genomen kunnen worden en had het heel anders kunnen lopen. Ullrich laat dat goed zien aan de hand van concrete voorbeelden. De Weimarrepubliek is bewust om zeep geholpen door conservatieve voormannen die terug wilden naar de autoritaire Obrigkeitsstaat. Dat om zeep helpen is hun gelukt. Mede dankzij de communisten die geen staat wensten te beschermen waarin sociaaldemocraten een belangrijke rol speelden. Maar vooral dankzij de beweging, geleid door een man die zij tot het allerlaatste moment buitenspel hadden kunnen zetten, maar dat niet deden omdat ze hem schromelijk onderschatten. En die zo zijn eigen plannen had met Duitsland.
Hans van der Heijde
Volker Ullrich – Noodlotstijden van een democratie – de onstuitbare ondergang van de Weimarrepubliek. De Arbeiderspers, Amsterdam. 480 blz. € 27,99.

Dat de rechtsstaat in Nederland alleen in veilige handen zou zijn van sociaaldemocraten en linksliberalen is een onbewijsbare stelling die niets met de feiten te maken heeft en de recensie niet ten goede komt.