Recensie: Florette Dijkstra – De vrouw van verf
De volgende recensie werd voor het eerst gepubliceerd in 2004.
Pleidooi voor kunst
In jaren niet zo’n merkwaardig boek als De vrouw van verf gelezen. Florette Dijkstra vertelt de geschiedenis van Marika Karuso, later hertogin de la Salle, die ooit model stond voor een fameus schilderij van Tamara de Lempicka uit 1925.
Ze beschrijft hoe de schilderes vanuit haar Bugatti op straat Marika ziet lopen en hoe zij haar overhaalt te poseren. En vervolgens introduceert ze ons uitvoerig in de lotgevallen van deze hertogin die haar echtgenoot maar nauwelijks lang genoeg kende om een kind van hem te kunnen krijgen, vervolgens van hem scheidde en de rest
van haar leven moest opboksen tegen pogingen van haar voormalige schoonfamilie om haar, ook letterlijk, in diskrediet te brengen. Ten slotte stierf ze berooid ergens op het Noord-Italiaanse platteland.
Erg veel is er niet bekend over deze hertogin die in de kunstenaarswereld van tussen de twee wereldoorlogen haar partijtje meeblies en dus maakte Dijkstra van de nood een deugd en creëerde zij een, wat ik hier nu maar noem, gefantaseerde biografie. Van de ontmoeting tussen de schilderes en haar model maakt ze een bijna mythische
gebeurtenis.
Er diende zich iets aan, het naderde haar of ze bewoog ernaartoe, daarover viel niets te zeggen, het kleefde al aan haar netvlies, de elektrische lantaarns hadden het zichtbaar gemaakt, nu viel het helder en volmaakt samen met haar verbeelding, zoals gebeurt beurt wanneer een kunstenaar zijn ideale, nog te scheppen
kunstwerk ontmoet, daar valt niet naartoe te leven, daar kan niet op worden gewacht, het is te volmaakt om zich iets aan te trekken van persoonlijke processen in het leven van degene wie het overkomt.
Dit kenmerkend citaat staat op de tweede bladzijde van de roman en je weet als lezer dus direct waar je aan toen
bent. Dijkstra is er niet op uit een razendsnel realistisch verhaal te vertellen met lekkere liefdes en ook nog wat boeven en op het eind een achtervolging. Het gaat haar om de innerlijke verbeelding van een leven, met een
daarbij passende stijl: precies, rijk aan kleur, verbeelding en ritmiek.
Schrijven is bij haar een vorm van hoge kunst waarin zij niet zoekt naar een imitatie van het jachtige leven van
tussen de wereldoorlogen, zoals we dat meestal kennen uit proza dat deze periode in beeld wil brengen. Zij legt
de nadruk op verlangen naar de ultieme verfstreek, laat haar personages vrijwel alleen op hoog essayistisch niveau over de relatie tussen kunst en werkelijkheid debatteren en geeft ondertussen een tragisch beeld van
een vrouw die door maatschappelijke omstandigheden steeds minder ruimte kreeg voor haar zoektocht naar
waarheid en schoonheid.
Helemaal van de wereld losgezongen is deze roman toch niet. Dijkstra gaat minutieus, soms weldadig geestig, in op de machinaties van Marika’s schoonfamilie. Maar hoofdtoon van de roman is de melancholie over een leven dat zich aan Schoonheid wilde wijden maar onderging in pijnlijke armoede.
Soms dreigt het geheel te verzanden in te veel uitgesponnen beschouwingen over kunst en werkelijkheid die ook al eerder ten beste waren gegeven. Maar dan staat er toch weer zo’n zin die je helemaal voor dit werk inneemt: ‘Het voorpaginanieuws betrof de Internationale Tentoonstelling van Kunst en Industriële Vormgeving die voor veel nieuwe gedachten zorgde.’ Florette Dijkstra’s roman is een groot compromisloos en hoog getoonzet pleidooi voor kunst. Bij haar verkeert de kunst niet in een crisis, zij is de enige uitweg uit de maatschappelijke wirwar.
Kees ’t Hart
Florette Dijkstra – De vrouw van verf. Querido, Amsterdam. 268 blz.
Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 17 december 2004.
