‘Het vuil blijft achter de rolluiken’

De lotdagen van Paul Demets is een bundel over geweld, doofpotpraktijken en grove nalatigheid in de jaren tachtig van de vorige eeuw: de bloedige overvallen van de Bende van Nijvel, de aanslagen van de CCC (vergelijkbaar met de Rote Armee Fraktion), de ramp met de kerncentrale van Tsjernobyl en de ondergang van de veerboot Herald of free Enterprise voor de kust van Zeebrugge, die 193 mensen het leven kostte. De overval door de bende van Nijvel op 9 november 1985 op het filiaal van Delhaize in Aalst en de onwelriekende nasleep daarvan staan centraal. Het was de laatste overval en ook de bloedigste.

Het waren de jaren waarin Demets studeerde; in zijn nawoord schrijft hij dat het brute geweld en de rampen toentertijd zo hard binnenkwamen, dat die zijn maatschappij- en wereldbeeld blijvend hebben veranderd. Voltooid verleden tijd zijn die gebeurtenissen nooit geworden, zoals blijkt uit regels als deze: ‘Nu is nog 9 november 1985. / Nu is nog steeds buiten adem.’ Maar bij dat geweld uit de jaren tachtig is het natuurlijk nooit gebleven, en altijd weer heeft dat Demets aangegrepen – zie bijvoorbeeld zijn bundel De schaamsoort (2024), waarin hij een afdeling wijdt aan de schokkende, sadistische ontgroening van de 20-jarige student Sanda Dia door leden van het studentencorps Reuzegom, die hem het leven kostte.

In het laatste gedicht van De lotdagen karakteristeert de dichter het huidige geweld. Ik citeer het in zijn geheel, omdat hierin de belangrijkste motieven van de bundel samenkomen.

Vage netwerkstructuren, religieuze drijfveren,
het gebruik van massavernietigingswapens.
Dit dominante paradigma is ook wel verklaard
door middel van een politieke ratio.

Toen was het einde zoek.
Achterom gekeken, verdomd.
Ik kan niet langer die zanger zijn.

Als het nieuw is, vergt het
nieuwe middelen.

Het wil blijven, het zingt rond.
Nu verlangt het samenzang.
Dadelijks brandt België
op mijn tong

Drie dingen komen hier samen: de samenhang tussen poëzie, geweld en de toestand waarin België verkeert.

De dichter verandert als hij wordt geconfronteerd met het grove geweld en zijn poëzie verandert mee. Voordat de overvallen van de Bende van Nijvel plaatsvonden, verwachtte hij veel van zijn poëzie: ‘Zelfs de stenen, dacht ik, zouden bewegen. / Zelfs de stenen dacht ik te doen ontstollen door / mijn lied. Bloed zou weer vloeien door hun aders.’ Opvallend is wat hij daarna zegt: ‘De wind zou zijn adem inhouden. / Ik zou mijn lichaam bijbenen.’ In zijn studietijd heeft hij een vriendengroep en branie is hen niet vreemd: ze wilden meiden versieren, hen kon niets gebeuren, ze ‘waren tot de tanden / met glazen bewapend.’ Maar in wezen is hij onzeker, wat zich regelmatig uit in de gewaarwording dat zijn lichaam en geest niet samenvallen: ‘Ik legde mijn armen op tafel, nam / plaats achter mijn lichaam dat mij / probeerde te verbergen.’ Het intellect lijkt te prevaleren boven het fysieke: ‘Oktober beroofde mij van mijn lichaam. / Het verdween tussen aantekeningen en papier.’ Schrikt hij terug voor het natuurlijke, volledige leven?

In de periode daarna – het geweld is in volle gang en de rampen hebben zich voltrokken – zet de dichter zijn verbeelding in om weer te geven wat de slachtoffers hebben moeten ondergaan. Ook wil hij kond doen van zijn reflecties op de waarheid en de vragen die daarmee gepaard gaan, zoals: ‘Wie bepaalt of woorden overeenkomen / met de stand van zaken?’ Gaat het hier om machthebbers of de pogingen van dichters de waarheid weer te geven met de altijd weerbarstige taal? Maar heeft het zin het hierover te hebben? Wordt het gehoord? Dat is maar de vraag. ‘Iedereen mag op een zeepkistje gaan staan, / maar je moet zelf zorgen voor publiek. […] Mijn lied en ik / tussen de andere gezangen.’ Maar nu voldoet dat niet meer, lazen we in het laatste gedicht. Er is behoefte aan eenheid, samenzang.

De overvallen van de bende van Nijvel zijn omgeven door raadsels en verdenkingen, nog steeds. Neem alleen dit: ‘Normaal gezien is de buit / in verhouding tot het gebruikte geweld’, maar dat is bij geen van de overvallen zo geweest. Er lijken aanwijzingen te zijn dat rijkswachters erbij betrokken waren. En misschien was ‘België zelf de zwarte hand / die dirigeerde.’ Maar waarom? De reactie van de dichter op dit soort vermoedens spreekt boekdelen:

Wie zou zich over de resten ontfermen?
Voor wie de ledematen?

Wat gebeurt er in een politieke omgeving
waar verbetering en herstel te lang blijven hangen,
waar we de status quo hard en droog
niet meer kunnen verteren?

Vochtverlies. Een opgezette buik.
Moeite met poepen.
Hier gist het bioom.

Wat kunnen we leren
door naar uitwerpselen te kijken?

Je komt niet achter de waarheid. ‘Je kan een cirkel [rond de waarheid – HP] vullen met de vierkanten / die je tekent, maar er zal altijd ruimte overblijven.’ Wat ook niet helpt, is dat je mogelijk uitgaat van aannames waarvan je je niet bewust bent.

In de bundels staat een lang ‘Tussengedicht, ‘Roofhoofd’. Het is gebaseerd op de getuigenverklaring van een slachtoffer van de overval op 9 november. Daarin staan een paar geweldige regels: ‘Het vuil blijft achter de rolluiken. De staat // van de straat.’ Door het nadrukkelijke enjambement krijgt ‘staat’ een dubbele betekenis, en worden de overheid en de toestand van het dagelijks leven aan elkaar gekoppeld. Niet alleen de overheid, maar heel België is ziek! Desondanks gaat het lot van België de dichter zeer aan het hart. Hij heeft zijn bundel zelfs aan het land opgedragen: ‘Voor België, mijn verdwijnende, moeilijke geliefde.’

Als het buitensporige geweld van de Bende van Nijvel al zo’n blijvende indruk op Paul Demets heeft gemaakt, hoe moet dat dan voor de slachtoffers en nabestaanden zijn? Op 9 november 2025 was het 40 jaar geleden dat die gruwelijke overval plaatsvond. Op die dag presenteerde Demets zijn bundel. Daarmee wilde hij een monumentje voor hen oprichten, en dat is hem heel goed gelukt.

Hans Puper

Paul Demets – De lotdagen. Onderbroken door Roofhoofd. Vleugels, Bleiswijk. 60 blz. € 23,95. (De dichtbundel is rechtstreeks bij de uitgeverij te bestellen, maar je betaalt dan wel portokosten)