De ramp van Oomen, de Bastillebestorming van De Veen en de noodklok van Waterdrinker

Het gevaarlijke aan polemische columns schrijven is dat je stokpaardjes krijgt. Onderwerpen of personen blijven op je netvlies staan en voor je het weet schrijf je er iedere week over. In tijden van het algoritme ligt dat nog meer op de loer dan vroeger, want je hoeft je browser maar te openen en je krijgt een keurige lijst met artikelen van en over de persoon of zaak die je eerder behandelde. Als je herhaaldelijk schrijft over dezelfde persoon kan bij de lezer het gevoel ontstaan dat er een persoonlijke vete aan je stukken ten grondslag ligt, en dat is ondermijnend. Ik wil daarom liever niet te veel over dezelfde personen uit de literaire wereld schrijven, hoewel ik, voor de duidelijkheid, aan geen enkele een hekel heb; hoogstens aan de persona.

De afgelopen weken ben ik een paar millimeter van mijn tandglazuur verloren, omdat ik me zo heb zitten verbijten. Waarom kramen mijn stokpaardjes zoveel onzin uit! Joost Oomen probeerde de onderliggende gedachte ‘Alles wat ik niet ben is een ramp voor de literatuur’ in zijn column in de NRC uit te breiden naar ‘Alles wat ik niet ben is een ramp voor Nederland’ in zijn nieuwe column op Radio 1 over de keuze voor de aankomende Boekenweekauteur Peter de Smet. De man achter Hendrik Groen schrijft verhalen die erg herkenbaar zijn voor de lezer en reproduceert daarom centraal gelegen passende puzzelstukjes, terwijl kunst volgens Oomen een puzzelstukje aan de rand is dat je eigenhandig misvormt zodat je er lekker mee kan blijven wroeten en de puzzel uit kunt breiden. Dat maakt de wereld breder, weidser en groter, zodat iedereen erin past. Schijnbaar is dat wat kunst moet zijn. Daar zou mijn docent Filosofie van de Kunst het niet mee eens zijn: die leerde mij dat porno geen kunst is omdat het doel ervan niet het schone zelf is, maar klaarkomen. Kunst is kunst omdat het kunst wil zijn en niets anders. Dat Oomen de kunst die in zijn straatje past de beste vindt is weliswaar kortzichtig, maar ook logisch. Dat hij de kunst die niet in zijn straatje past tot niet-kunst en ‘ramp voor Nederland’ verklaart is potsierlijk.

Ook vindt Oomen het ‘enigszins discutabel’ van de CPNB om een auteur te promoten die multimiljonair is geworden van zijn werk. Daar moest ik toch wel erg om lachen: je zou maar schrijver zijn en je eigen broek kunnen ophouden! Het kan alleen in de literatuur dat niet het vlaggenschip maar de modderschuit de parade zou moeten aanvoeren. Afgelopen tijd figureerde Oomen gelukkig niet alleen in leuk bedachte promofilmpjes voor zijn eigen theatertour, maar ook in een video van Het Letterenfonds waarin hij aangaf afhankelijk te zijn van subsidies, dus hij zou volgens zijn eigen redenatie zowel qua vorm van zijn kunst als qua ontvangst ervan bij het brede publiek een terechter uithangbord zijn van de Boekenweek.

Oomen zou je met zijn column nog kunnen zien als de valse straatmuzikant die naast de rij voor Taylor Swift staat te zingen en zichzelf de ware ster van de avond vindt. Je kan je eraan ergeren, maar je kan ook gewoon je schouders ophalen en op je telefoon kijken; zijn gedrag verandert niets aan de avond. Wat Thomas de Veen in zijn recensie van Herman Kochs De overbodigen doet neem ik serieuzer. Hij geeft het boek één bal en dat waardeer ik enorm. Althans, dat hij een boek één bal durft te geven. Niets is beledigender voor de literatuur dan de zielloze viersterrendanwelballenbeschouwingen die zo alomtegenwoordig zijn in de pers. De Veen vond veel slecht en onredelijk aan het boek, en als hij het daarbij gelaten had dan vond ik dat vernietigende oordeel niet meer dan logisch. Maar hij geeft aan te twijfelen of het allemaal niet intentioneel is in De overbodigen, waarin zou worden getoond ‘hoe de moraal in trumpiaanse tijden buitenspel staat’, waarbij de roman ook nog eens trumpiaans onderkent dat hij onredelijk is, maar je hem alsnog voor waar moet aannemen. Dat noopt De Veen tot het maken van een statement:

Je kunt dat afwijzen en in verzet komen: we willen niet dat de wereld zo werkt. We weigeren hierin mee te gaan en te zwichten voor cynisme, voor dat idee van een domme wereld, met belachelijke verhalen. Wij blijven wel redelijk nadenken en eisen dat iedereen dat doet.

Bam. Einde recensie. Eén bal. Zie hier de Bastillebestormer in De Veen: trumpisme moet keihard worden afgewezen en dit wereldbeeld of een hieruit afgeleide poëtica mag in de literatuur niet bestaan.

Pieter Waterdrinker schreef deze week dat ‘Nederlandse schrijvers massaal zwijgen’ als het gaat om de ideologie die door jury’s wordt voorgeschreven. De recensie van De Veen kan wat mij betreft zo als schoolvoorbeeld van een enge, zelfbenoemd progressieve, dogmatiek naar voren worden geschoven die de literaire vrijheid aantast. Een roman wordt voor de bus gegooid omdat hij niet in de politieke agenda van de recensent past en die recensent begint doodleuk te ‘eisen’ dat iedereen zijn neus dezelfde kant op laat staan – ik had er veel meer ophef over verwacht. Interpreteer ik De Veens stuk verkeerd? Waarom interpreteer ik De Veens stukken dan zo vaak verkeerd en is het niet juist deze hoek waaruit het gezegde komt dat woorden ertoe doen en dat de intentie ervan niet eens uitmaakt?

Zouden mijn stokpaardjes alsjeblieft een paar weken op vakantie kunnen gaan?

Martijn van Bruggen