Nieuws: Wordt Oek de Jong overgeslagen bij de P.C. Hooftprijs omdat hij oud en wit is?
Anna Enquist (1945) heeft in de interviews rondom haar nieuwe roman het onderwerp leeftijdsdiscriminatie weer op de kaart gezet. Joost Nijsen (1958), die samen met haar in het bestuur van het Letterenfonds heeft gezeten, schrijft er in zijn substack over.
Enquist bij Buitenhof observerend, kan ik me helemaal voorstellen dat ze met haar scherpe geest nog net zo’n belangrijke bijdrage zou kunnen leveren als toen bij het Letterenfonds. En het brengt je als ouder wordend mens ook juist wat je gaandeweg gaat missen, de sociale interactie (schrijven en pianospelen doe je in je uppie, psychoanalyse met éen ander). Overleggen met een groepje anderen houdt je mentaal fit, gedwongen niet alleen zelf goed na te blijven denken maar ook je in te leven in andere standpunten.
Op zijn berichtje op LinkedIn waarin Nijsen verwijst naar zijn substack reageert Jaap Goedegebuure (1947):
Schrijvers van boven de zeventig die een respectabel oeuvre op hun naam hebben staan, maar behalve oud ook nog wit en man zijn, hebben vandaag de dag veel minder kans dan vroeger om de Constantijn Huygensprijs, de P.C. Hooftprijs of de Prijs der Nederlandse Letteren te krijgen. Weliswaar zou je ze kunnen rekenen tot een diversiteitscategorie, maar omdat die categorie in het verleden dominant was, worden ze nu gemarginaliseerd. Markante casus: Oek de Jong, auteur van romans van de veelgeprezen romans Opwaaiende Zomerjurken, Cirkel in het Gras, Hokwerda’s Kind, Pier en Oceaan en Zwarte Schuur.
De laatste winnaar in de categorie proza was Maarten ’t Hart (1944), daarvoor was het de piepjonge Arnon Grunberg (1971) en drie jaar daar weer voor was het Marga Minco (1920). Minco was 98 toen ze de prijs ontving. Oek de Jong (1952) heeft hopelijk nog tijd genoeg om de prijs te winnen. Koos van Zomeren (1946) is er ook nog!
(foto Bram Douwes (1984) en Oek de Jong in 2014, CP (1964))

Ik ben erg geschrokken van Jaaps bericht. Was het echt zo slecht met ons gesteld? Ik ben natuurlijk geen oude witte man, maar ik word er hopelijk wel een, en ik wil natuurlijk ooit een P.C. Hooft-prijs, een Constatijn Huygens-prijs en een Prijs der Nederlandse Letteren in ontvangst nemen.
Dus ik ging ik even op onderzoek uit. Gelukkig valt het allemaal mee.
Met een grens van 70 levensjaren zijn vijf van de laatste vijftien winnaars van de P.C. Hooft-prijs oude witte mannen, dus 33%. Als ik alle witte mannen boven de 60 jaar meetel – dat is voor een jong iemand als ik ook al heel oud – worden dat er acht van de vijftien. Dat is gelukkig alweer 53%. Kortom, idealiter win ik hem tussen 2053 en 2063, in mijn sixties, maar daarna is er nog altijd een redelijke kans.
Vrijwel alle vrouwelijke laureaten waren trouwens ook boven de 70. Wat dus de diversiteitscategorie oude mensen betreft, zijn ze ruim vertegenwoordigd. Helaas voor mij en Jaap zijn dat alleen geen mannen. Als je, omgekeerd, juist het ouderdomscriterium laat vallen, is gelukkig twee-derde weer man. Vind ik fair, gezien die kelderende kansen na mijn 70ste.
De voorlaatste winnaar van de Constatijn Huygens-prijs was de oude witte man Tomas Lieske, vier jaar eerder oude witte man Guus Kuijer, het jaar daarvoor oude witte man Stefan Hertmans, en twee jaar eerder Hans Tentije. Dat zijn er maar vijf van de tien! Oef, kantje boord.
Van de Prijs der Nederlandse Letteren waren onder de laatste tien laureaten vijf oude witte mannen. Óók op het nippertje dus. Tom Lanoye ontspringt de dans, hij is nog geen 70.
Achteraf gezien ben ik blij met het bericht van Jaap. Een wake-upcall, zoals de Van Dale het zegt. Beter probeer ik minstens een of twee van die prijzen vóór mijn 70ste in ontvangst te nemen, dan heb ik niet slechts 50% kans. Als ik genoegen neem met maar één van de prijzen, mag ik de kansen optellen, en kom ik uit op 133%. Hoera!
Dank aan Anna Enquist, over wiens rug we dit onderzoek mochten uitvoeren. Waar had zij het ook alweer over?
Wier rug?
Ja, wier natuurlijk.
Mja. Mensen met veel privileges zullen soms over het hoofd worden gezien. Dat gebeurt heel vaak met mensen die minder of (bijna) geen vinkjes / privileges hebben. Ik snap de teleurstelling ergens best, en je kan eindeloze discussies houden over wie welke prijs wel of niet verdiende, tot en met de Nobelprijs aan toe, maar het schiet niets op. Het is veel belangrijker dat literaire prijzen in hun toekenning de veelheid aan kwalitatieve stemmen in de literatuur erkennen.
Het is natuurlijk best ironisch om als tachtigjarige in Buitenhof te zitten, een van de top tv-programma’s, en dan te zeggen dat je niet meer meetelt als tachtigjarige. Hoe komt het dan dat je daar zit?
Overigens zat twee weken eerder Adriaan van Dis op diezelfde plek, bijna tachtig jaar.
Elders kreeg Julian Barnes zeeën van publiciteit voor zijn nieuwe boek, dat op zijn tachtigste verjaardag verscheen.
Martin Amis zei dat schrijvers na hun zeventigste niets meer schrijven dat echt de moeite waard is…
Het enige ‘nieuws’ hier is dat Jaap Goedegebuure kennelijk constateert dat Oek de Jong gemarginaliseerd wordt en minder kans maakt om de P.C. Hooftprijs te winnen omdat hij een oude witte man is.
De substack van Joost Nijsen gaat er vooral over hoe we het buitensluiten en ‘aan de kant schuiven’ van ouderen tegen kunnen gaan om zodoende diversiteit meer te benutten. Niet specifiek gericht op schrijvers. Zijn LinkedIn-bericht waarin deze substack gedeeld wordt sluit hij af met de volgende, overigens volstrekt onduidelijke, vraag: ‘Moet leeftijd ook gaan meewegen in diversiteit?’ Enter Goedegebuure.
Misschien zou Oek de Jong eens een keer een goed boek kunnen schrijven.
Arjan Peters, dat je pest aan De Jong en Goedegebuure hebt is allang geen geheim meer. Hoef je hier kortom niet te herhalen.