Hondenmensen

Het lijkt een hele kluif (excuus) wanneer je de vrij kleine letter ziet van De honden die we zijn, de correspondentie tussen journalist, radiomaker en biograaf Leon Verdonschot en schrijver en vechtsporter Alex Boogers over hun grote passie voor de viervoeters, vreest even veel lolligheid en causerie, maar het boek is naast onderhoudend, heel degelijk, analytisch, stapt af van geijkte paden, ontzenuwt clichés, geeft te denken, pakt de meest uiteenlopende aspecten aan.

Van het fokverbod op vechthonden tot het stockholmsyndroom, de snelle connectie met wildvreemde hondenbezitters, de tussentaal tussen mens en dier tot de quasi-diepe gedachten over ‘het zijn’ waartoe de natte neuzen uitlokken. En juist in dat laatste aspect zijn Boogers en Verdonschot elk afzonderlijk en in het amalgaam dat ze met deze gesprekken vormen op hun best, rollebollen lekker over elkaar heen, rennen achter wederzijds geworpen stokken en ballen aan. Heerlijk, stilistisch aanstekelijk. De titel is ‘spot on’. Het zijn twee jonge honden op leeftijd die bij tijd en wijle lekker romantiseren. Wat deert het.

De honden die we zijn laat maar weer eens zien hoe bijzonder de hond als succesnummer is, wat ‘de beste vriend’ vertelt over de hondenmensen zelf, over mensen in het algemeen. Boogers is gelovig, Verdonschot een humanist. Het maakt de wisselwerking extra interessant. Ergens nemen we de hond als huisdier voor lief, als een symbool van ‘eeuwige trouw’, als zalf tegen onze verlatingsangst, terwijl we ze toch bijna zonder uitzondering overleven, ze bij hoge uitzondering twintig jaar bij ons blijven.  Onderwijl commanderen we ze vaak gedachteloos rond. Verdonschot en Boogers zijn zich juist heel bewust van hun huisdieren, hun huisvrienden.

Veelvuldig citeren de hondenpenvrienden andere schrijvers – de hond in alle verschijningsvormen is nu eenmaal een gewillig onderwerp – maar dat stoort niet, onderbouwt eerder hun theorieën, laat ook zien dat ze heel serieus met het onderwerp bezig zijn, dat het nauw aan het hart ligt. In die zin is het beslist geen Wikipedia-boek, schrijvers waarvan hun waar gaat zweten van de uitgevente opgedane kennis. Het is prachtig om bijvoorbeeld weer even aan de magistrale John Fante te worden herinnerd.

Honden zijn over het algemeen grote komieken, aanpassingskunstenaars die in spreekwoorden en gezegdes ten onrechte vaak in negatieve zin worden genoemd. ‘Hondenweer’, ‘zo ziek als een hond’, ‘wie met honden naar bed gaat, staat met vlooien op’, ‘een hondse behandeling’ . Je zal de kinderen de kost moeten geven die graag een hond in de pot hadden willen vinden, maar van wie gezinsleden allergisch waren of van wie de ouders geen trek hadden om nóg een mond te voeden, ondanks de beloftes van de kinderen om voortaan de witlof, de spruitjes en aanverwante jeugdgruwelen te laten staan.

Beide schrijvers geven ruiterlijk toe dat ze vaak meer met honden hebben dan met mensen, dat de band met hun huisdieren vaak hechter, sterker, ook minder gecompliceerd is, vaak aanvoelt als een verliefdheid, misschien zuiverder is. De hond an sich oordeelt niet, hetgeen door hondenhaters, door kattenliefhebbers vaak wordt verward met behaagziek. Denk maar eens aan de strip Garfield waarbij de hond Odie als sulletje wordt afgebeeld.

Het is eerder dienstbaarheid ten opzichte van de persoon die zich over het dier heeft ontfermd. Een ongekende overlevingsdrang, die pakweg veertigduizend jaar geleden de wolf naar de mens toe leidde, uit een zekere nieuwsgierigheid, maar waarschijnlijk ook wel omdat ze voorvoelden dat er succes te behalen viel, ze het alleen niet zouden redden. Er zijn zelfs wetenschappers die denken dat de mens nooit zo had kunnen evolueren zonder hulp, zonder de bijzondere band met de honden. Feit is dat de hond, naast de mens, de meest succesvolle (zoog)diersoort is, wereldwijd zich heeft aangepast aan zeer uiteenlopende omstandigheden.

De hond is een overlevingskunstenaar pur sang. Gekwelde, uitgemergelde dieren komen er, na opgevangen te zijn, vaak verbazend snel weer bovenop. Het blijft wonderlijk dat een mishandeld dier, een uitgebuite fokteef bijvoorbeeld, toch weer vertrouwen kan krijgen in een ander mens. Het is de vergevingsgezindheid die aan de basis staat van het succes van de soort. Het vermenselijken van het dier – jasjes, gekke outfits, belachelijke tierlantijnen – nemen ze op de koop toe. Ze hebben geen poriën, als het goed is een vacht en het dus niet plots heel koud. De heren citeren Manon Spierenburg in Idogs.

Ook wanneer een hond zijn kop in onze schoot legt, of een poot op onze voet zet, interpreteren we dat onmiddellijk als een blijk van genegenheid, voor de naar liefde hunkerende stumpers die we zijn. De hond slaat een arm om ons heen in barre tijden, de lieverd! […] Honden zijn daar wat pragmatischer in. […] Elke hond is alleen maar bezig met één ding: zijn status binnen de roedel verhogen. […] Honden zijn volstrekt waardevrij, op een welhaast machiavellistische manier.

En in dat kader ware meesters in het redden van zichzelf en van de mens. In verschillende betekenissen van het woord. Naast een ‘onderwijzend’ en een vertederend element, mag er in De honden die wij zijn ook best gelachen worden. Wat te denken van de hond van Arjan Ederveen die Blaf heet. Je ziet ‘Theo’ al op een druk plein zijn hond roepen. Net zo goed als de hondennaam Doekoe (Sranan voor ‘slappe was’, Boheemse herder, eigenlijk Chodský pes) op een veldje in Amsterdam Zuidoost tot interessante ontmoetingen leidde.

Boogers en Verdonschot, twee schrijvers die fijn balanceren tussen de honden- en de mensenwereld. Een onuitputtelijk onderwerp. Nog een citaat om toe te voegen: ‘Een boek is een bot, de schrijver de hond die het opgraaft’ – Breyten Breytenbach. Tot slot nog een flauwigheidje. De honden die we zijn, een boek dat kwispelt!

Guus Bauer

Alex Boogers en Leon Verdonschot – De honden die we zijn. Waar we het over hebben als we het over onze trouwe vriend hebben. Hollands Diep, Amsterdam. 252 blz. € 22,99.