Sanctuarium

Deze tekst is een mini-protest tegen het geronk op achterflappen. Wie snurkt kan een elleboog verwachten. Zonder aanziens des persoons.
Dries van Ingen is voormalig algemeen directeur van uitgeverij Boom. Sinds 2000 heeft hij een praktijk ‘met nadruk op persoonlijke groei’. In dat kader is hij ‘executive coach’. Vooruit, kernachtig. Hij is aimabel, torent goedgemutst boven je uit. Niets mis mee. Fijne kerel. Uitgevers hebben altijd wel iets in zich van gemankeerde auteurs. (Je moet er eentje zijn om het te weten.) En dus is Dries als een dolle aan het schrijven gegaan. Niets mis mee. Het eerder verschenen Kernkracht is alhier onbekend, maar zal vermoedelijk ontstaan zijn vanuit de coaching praktijk.

Nu ligt dan De tijd duurt één mens lang voor. Over de titel valt te debatteren. De tijd staat eerder stil en een mens vliegt er doorheen. Soit, je gaat niet tegen Remco Campert in. De titel is immers de slotregel van een gedicht van hem. Het memoir met als ondertitel Over de weg naar het zelf viel met de achterzijde naar boven uit de envelop. Waar de teksten aldaar doorgaans worden overgeslagen, trokken deze gelijk de aandacht en vestigden niet alleen hoop, maar de verwachting dat hier een waar meesterwerk het licht had gezien. Je wordt meegenomen op een levensreis: ‘van een turbulente jeugd, de roes van de jaren zestig en zeventig – met muziek, drugs, en het afbreken van oude zekerheden – en de afdaling naar een dieptepunt, naar herwonnen zelfvertrouwen en levenslust.’ Mooi, geweldig, iets om zeker als bijna leeftijdsgenoot danig naar uit te kijken, een bekende reis zogezegd. Temeer daar het, volgens de tekstdichter der achterplatjes, dat ben je hopelijk toch niet zelf Dries, getuigt van ‘rauwe eerlijkheid, literaire gevoeligheid en filosofische diepgang’. Pats boem. Vervolgens spreekt niemand minder dan Adriaan van Dis zelve – buiging, knieval – hulde uit over ‘deze imposante jeugdherinneringen’. Hetgeen je ook zou kunnen vertalen met ‘in kleine letter en behoorlijk veel’.

Hoe interessant een persoonlijk leven ook kan zijn, er moet toch tekstueel iets ‘mee gedaan zijn’ om het ook voor derden bruikbaar, nuttig, invoelbaar, herkenbaar te laten worden. Het moet kortom, al is het maar met betrekking tot vorm, tot literatuur worden gemaakt. Het is raadzaam om het ‘En toen en toen’ zoveel als mogelijk te vermijden.

Het boek ligt nog steeds omgekeerd. Opengeslagen op deze wijze openen zich de bronnen. T.S. Eliot, Ida Gerhardt, Seneca, Spinoza, Marcus Aurelius, Hilary Mantel. Dat maakt nieuwsgierig naar hoe ze zijn ingepast. In het dankwoord een aantal grote namen uit de branche als meelezers en meelevers. Een van hen onder pseudoniem een écht groot schrijver.

Met een borstkast gezwollen van nieuwsgierigheid draai je het boek om. ‘Als we ons dingen herinneren reproduceren we het verleden niet, maar herscheppen wij het,’ aldus Hilary Mantel. Waar! Het gevaar ook van de anekdotiek. Van Ingen opent met een verrassend Ten geleide. Een samenvatting in feite van wat komen gaat. Kernachtig, goed geschreven, duidelijk, invoelbaar. De beproeving, het vinden van het Zelf. Heel eerlijk meldt de schrijver hier dat het een halve eeuw heeft geduurd voordat hij in het bestaan een geheel kon zien, de rode draden duidelijk werden. Het valt te prijzen dat hij die rode draden wil delen, aanreikt, kijkt waar raakvlakken zijn. Een Ten geleide dat daadwerkelijk doet verlangen naar meer.

De eerste stukken over de jeugd zijn in een ‘jeugdige staccatostijl geschreven’. Heel sec. ‘In de straat staat één auto. Hij is groen. […] Het is een mooie, grote auto. De voorkant glimt. Aan de zijkant zitten bruine plekken.’ Het bemoeilijkt om daadwerkelijk mee te bewegen in de stroom van het verhaal. Ja, zo praat een kind nu eenmaal, zou je kunnen zeggen, maar dit houdt pakweg zestig pagina’s aan. En die ultrakorte zinnetjes komen ook later in het leven veelvuldig terug. In deel twee Naar de bodem verbetert dit, kunnen leeftijdsgenoten echt aan de tekst relateren. Brommers, spijbelen, klusjes bij boeren, een protestkrant, een motorfiets, een auto, optredens met een bandje. Hier staan ook de eerste echt goed reflecterende stukken.

De eerste jaren van het gymnasium nam ik de daar heersende cultuur over. Ik bekleedde me met wat ik waarnam, maar niet aanvoelde. Ik liet me erdoor domineren, bij gebrek aan beter. In 1968 tuimelde ik de jaren zestig binnen. […] Tegelijk met al het nieuwe voelt het ook gewoon, zo moet het zijn.

Misschien was het raadzaam geweest om het jeugdstuk te minimaliseren en gelijk met dit deel Off the grid te beginnen. Het boek, de zoektocht komt hier in zekere zin tot leven. Studie, een vriendin van het Venustype, whisky, lsd, dope, de zelfdoding van een vriend. Van Ingen, zoveel is duidelijk, heeft het niet cadeau gekregen. Hij zoekt zijn heil in het opschrijven van dromen, krijgt zijn drift maar moeilijk onder controle. Maar de overlevingsstrategie wordt langzamerhand een ‘leefstrategie’. Er moet wel in acht worden genomen dat Van Ingen rondt die tijd aan schrijfangst heeft geleden. Dankzij gesprekken met diverse therapeuten kan hij uiteindelijk journalist worden, gaat op pad naar Afrika, naar Turkije, schrijft stukken voor zaterdagse bijvoegsels. Onzekerheid steekt de kop op, leidt tot uitstelgedrag.

Van de therapeut mag hij niet achter het geld aanlopen, maar er moet brood op de plank komen. Een korte tijd staat hij als leraar aardrijkskunde voor de klas en met wat bluf verleent hij medewerking aan een leerboek bij Meulenhoff Educatief. Zeven jaar lang produceert Van Ingen schoolboeken en dan wordt hij uitgever. Interessante stukken over de gang van zaken binnen een holding na overnames en de manier waarop dit tot Van Ingens zelfontplooiing heeft geleid. Groeipijn dankzij bondgenoten én vijanden.

Hier is Van Ingen ook ongekend eerlijk, vertelt over de angsten én de diepere krachten die in elk mens schuilen. De aangeboren kern. En het wordt hier ook steeds meer duidelijk waarom het stuk jeugd zo belangrijk is voor de schrijver. De onbevangenheid van het kind dat door een hardvochtige vader weg wordt geslagen. Daarom zijn de zinnen in het jeugdgedeelte waarschijnlijk zo afgemeten.

Het afsluitend Sanctuarium (vanaf 1997) is het meest waardevolle aan dit boek, samengebald in een moment tijdens een gewone werkdag. Een staat van puur zijn. Een zekere onbekommerdheid. Dat gun je Van Ingen van harte. En dan passen Gerhardt en Eliot ook weer naadloos, die beiden over het ‘uit de tijd getilde’ dichten. Een werkelijk ontroerende eindzin van Dries van Ingen: ‘Het is in orde , nu dan eindelijk.’

Guus Bauer

Dries van Ingen – De tijd duurt één mens lang, over de weg naar het zelf. Ten Have, Utrecht. 224 blz. € 23,99.