Column: [Sic] – Bij de uitreiking van De Inktaap
Vorige week kregen we bij Tzum een uitnodiging om naar de slotdag van De Inktaap 2026 te komen, waarop bovenbouwleerlingen van de middelbare school uit een selectie van drie boeken hun favoriet zouden kiezen. Genomineerd waren Gebied 19 van Esther Gerritsen, Rouwdouwers van Falun Ellie Koos en Paradijs van slapen van Joost Oomen. Ik ging op de uitnodiging in en zo toog ik afgelopen woensdag naar de Doelen in Rotterdam.
Al ter hoogte van Breukelen (vanuit – natuurlijk – Amsterdam) ontvang ik op de heenreis in de trein het persbericht dat Joost Oomen gaat winnen. Dat drukt de spanning behoorlijk, maar voor redacties is het natuurlijk fijn om al een stukje klaar te kunnen zetten. Niet verrassend dat de organisatie van De Inktaap daaraan gedacht heeft. Ik heb namelijk nog geen literaire organisatie meegemaakt die zo geordend te werk gaat als Passionate Bulkboek. Als ik binnenkom word ik hartelijk ontvangen en naar de backstageruimte geleid waar ook de presentatoren van de dag en de genomineerden zitten. Er is eten en drinken en ook voor de lunch wordt gezorgd. Mocht ik in de foyer zijn dan zijn hier twee consumptiebonnen. Werkelijk het enige slechte aan de organisatie is de naam, die je op z’n Nederlands moet uitspreken: pasjoonaatuh. Tijdens de rondleiding vraag ik na of de genomineerden ook al weten wie er gaat winnen, maar dat is niet het geval, of zou niet het geval mogen zijn. Ik moet mijn mond dus houden als ik met de schrijvers spreek.
De dag wordt geopend in de Jurriaanse zaal met een gedicht van Lena Plantinga. Ik knipper met mijn ogen en plots is ze de presentator, samen met Robbert Meijntjes en Lin An Phoa. Allen zijn ze in het zwart gekleed. De schrijvers worden het podium opgeroepen om alvast kennis met het publiek te maken en Koos en Oomen gaan zitten op de bank. Waar is Gerritsen? Nog buiten, onderweg. Oomen en Koos worden door de presentatoren bevraagd hoe het is om genomineerd te zijn voor De Inktaap en hoe het is om schrijver te zijn. Een groot contrast tussen beiden tekent zich af. Oomen staat meteen aan en strooit met gekke antwoorden en plezierige anekdotes. Zo vertelt hij dat hij de meeste ideeën opdoet in de douche en dat hij zich daarom vaak gaat wassen. Waar dit voor de meeste schrijvers al een onthullende anekdote is, is dit voor Oomen pas het startschot: hij heeft blijkbaar krijtjes bij de Hema gekocht waarmee hij op de tegels in de badkamer kan schrijven mocht hij écht goede ideeën hebben. Maar de schrijfruimte is beperkt dus staat er heel groot ‘KIP’ in zijn douche. De pubers in de zaal lachen en kijken elkaar aan met een blik van: wat ís dit voor gast?
Koos blijft knap in diens eigen energie en maakt het de interviewers moeilijk met korte en kritische antwoorden. Wanneer Meijntjes vraagt of hen van al hun personages houdt, antwoordt Koos: ‘Dat vind ik geen relevante vraag.’ Ook dat levert gelach op. In de foyer zijn de leerlingen onder de indruk van het verschil tussen beiden als het om het beantwoorden van vragen gaat. Zoals een jongen het zegt: ‘Joost Oomen begon een heel verhaal over een glazen oog en Koos zei gewoon “ja”.’




Het volgende onderdeel van het programma is heel gewaagd. De 300 aanwezige leerlingen verdelen zich over drie zalen waarin steeds één schrijver langskomt. Vervolgens stellen de leerlingen twintig minuten lang vragen aan die schrijver. Er is wel een presentator bij (Meijntjes gekoppeld aan Gerritsen, Phoa aan Koos en Plantinga aan Oomen), maar die wijst in principe alleen degene aan die een vraag wil stellen. Ik weet wel zeker dat ik als leerling geen vraag zou durven stellen, dus als ik de zalen inloop vrees ik ongemakkelijke stiltes. Die zijn er ook, maar wel steeds de eerste vijf minuten – daarna komen de gesprekken los. Dat zorgt ervoor dat er wordt besloten de gesprekken langer door te laten lopen en de lunch in te korten.
Koos lijkt een stuk zachtaardiger en opener nu de kinderen de vragen stellen. Hen geeft aan graag meningen te horen en die oproep wordt opgepakt. Een leerling geeft aan het boek in de ochtend te hebben gelezen en dat deprimerend te hebben gevonden, onder andere door de eentonige stijl. Een ander snapt niks van het personage Molina en vermoedt daarom dat hij wel in het echt zal bestaan. Koos ontvangt alle informatie welwillend en straalt zoveel ontvankelijkheid uit dat ik bijna zelf mijn hand op wil steken. Als ik de andere zaal binnenkom is Oomen aan een enorme monoloog bezig over hoe je hersenen werken en wat functie van de hippocampus is. Aan het einde ervan concludeert Plantinga droogjes dat we een lesje biologie hebben gekregen. Van schroom is bij deze groep leerlingen geen sprake en Oomen antwoordt met een opmerkelijke combi van botheid en enthousiasme. Als een jongen precies dezelfde vraag stelt als zijn voorganger geeft Oomen hem er op speelse wijze van langs. Ook merkt hij op dat het ‘nogal wiedes’ is dat de leerlingen een vraag hebben en dat ze dat niet steeds hoeven te zeggen als ze de microfoon krijgen. De kinderen kunnen het goed hebben. In de zaal van de inmiddels aanwezige Gerritsen is het publiek bedeesder en moet Meijntjes vaker bijspringen. Gerritsen baant zich geroutineerd door het gesprek, is goedgemutst maar lijkt zich niet per se aan haar jongere publiek aan te passen.
Tijdens de lunch backstage beland ik aan tafel met Oomen, over wie ik recentelijk wat polemiserende stukken schreef waarop hij weer reageerde. Hoewel ik vind dat je prima felle stukken kunt schrijven over een auteurspersoon zonder dat je elkaar in het echt naar het leven hoeft te staan, merk ik dat ik het toch lastig vind hem aan te spreken of oogcontact te maken. Dit is zíjn middag, dus ik wil niet over de polemiek beginnen, maar als ik over iets anders begin, staat die olifant nog in de kamer. Ik doe dus niks en stel mezelf teleur. Gelukkig wordt het ijs voor ons gebroken. Een derde tafelgenoot vraagt of we elkaar kennen en zo kunnen we lachend zeggen dat we elkaar kennen van onze polemiek. De lunch is gezellig. Als openbaar redetwisten niet leidt tot onderlinge animositeit, dan blijft er geen reden over voor auteurs om niet eens wat oprechter te zijn over elkaars werk en een tegenovergesteld standpunt in te nemen.
Na het signeren vindt de uitreiking van zowel De Inktaap als de prijs voor het beste juryrapport in een halfuurtje plaats. Het gaat nog sneller omdat vergeten wordt dat de muzikant (Eva van Manen) nog een lied zou spelen. Neemt niet weg dat die bondigheid een goede keuze is. Daarbij zijn de leerlingen erg uitgelaten en wordt er veel en hard applaus gegeven en zelfs gejoeld. Misschien omdat ze zelf ook nog een prijs kunnen winnen (die voor het beste juryrapport). Gerritsen valt het grootste applaus ten deel, wanneer ze vertelt dat ze door deze middag van haar angst voor middelbare scholieren af is. Gerritsen, Koos en Oomen ontvangen alle drie een bloemetje. Ze mogen weer gaan zitten en de winnaar van het beste juryrapport wordt bekendgemaakt. Daarna is het tijd voor de grande finale. Drie leerlingen spreken het juryrapport uit dat ik vanochtend al kon lezen. De winnaar is Joost Oomen. Bij het verlaten van de zaal passeer ik Koos en Gerritsen en zeg ik: ‘Jammer, maar goed gedaan.’ De verwilderde blik van Gerritsen is terecht, want ze heeft natuurlijk helemaal niets gedaan – dit is geen poetry slam. Het alternatief (alleen ‘jammer’ zeggen) klinkt me echter nog onaantrekkelijker in de oren. Misschien kan iemand mij vertellen wat een passende opmerking is naar iemand die net een literaire prijs aan de neus voorbij heeft zien gaan.
Na afloop willen vele kinderen met Oomen op de foto en hij jogt van hot naar her met De Inktaap onder zijn arm. Ik heb de hele dag niet aan ontlezing gedacht.



Martijn van Bruggen
