‘Zijn bedrieglijke schoonheid zwaait hier al te lang de scepter’

‘In het donker verder lopen zonder te weten waar je naartoe gaat’ staat op de achterkant van Een schimmig bestaan, de nieuwe roman van de Franstalig-Belgische Caroline Lamarche. Dat geldt voor de vertelster, die na zeven jaar huwelijk ontdekt dat ze met een homoseksuele man is getrouwd, maar ook voor de lezer die overgeleverd is aan de grillige wendingen die deze roman tot een interessant, maar ook aangrijpend avontuur maken. De vertelster vindt op zolder twee brieven, een oorkonde en een foto van ene Edmond, een betovergrootoom die uit de stamboom is gewist. Ze gaat op onderzoek uit en steeds meer raken haar eigen geschiedenis en die van Edmond met elkaar verweven.

Het werk van Lamarche is bijzonder veelzijdig. Mijn eerste kennismaking was het schokkende en vervreemdende Nacht op klaarlichte dag, waarin de hoofdpersoon via een contactadvertentie in aanraking komt met een man die gewelddadige seks met haar heeft, die in alle gruwelijkheid wordt beschreven. Mira is een grimmig driedelig sprookje. Haar latere werken, zoals Het einde van de bijen en Kostbaar ogenblik, ik zie je, zijn veel lieflijker en meer empathisch van toon, waardoor je je bijna niet kunt voorstellen dat ze door dezelfde auteur zijn geschreven. Een schimmig bestaan lijkt qua toon en sfeer het meest op Het einde van de bijen, waarin de vertelster over het afscheid van haar moeder schrijft. Ook in deze nieuwe roman is weer de volle diepte van de liefde én van het lijden te voelen:

Ik ga de buddleja uitrukken. Zijn bedrieglijke schoonheid zwaait hier al te lang de scepter. In weerwil van zijn geur en zijn stralende bloemen bevatten zijn bladeren een voor rupsen giftig molecuul, hij neemt de plaats van andere planten in, kortom, het is een invasieve soort. Ja, het stuk grond dat vroeger onze tuin vormde, die van Vincent en mij, is inderdaad zo verwaarloosd dat de levenskracht van de buddleja een heuse prestatie mag heten.

Je wordt in de eerste regels meteen een woekerende struik in getrokken en beseft eigenlijk dan al dat deze dappere vlinderstruik iets symboliseert dat zich in de rest van het verhaal zal openbaren. Pas na afloop realiseer je je dat ook het proces van lezen op zichzelf iets heeft van een woekerende vlinderstruik. De grillige takken groeien alle richtingen op en omdat de bloemen zo mooi zijn, kun je je daarin verliezen, en vergeten uit welke stam je ook alweer bent voortgekomen en welke richting het verhaal gaat. Er is eigenlijk geen hoofdstam, maar een veelvoud van verbindingen. Als je je helemaal overgeeft, beland je in parels van anekdotes, levensvragen en bespiegelingen.

De vertelster wil meer te weten komen over Edmond, juist omdat hij uit de stamboom is gewist. Haar zoektocht is complex, omdat er weinig over hem te vinden is. De handschriften van de twee gevonden brieven wijken van elkaar af. Om er zeker van te zijn dat beide van Edmond zijn, raadpleegt ze een grafologe, maar ze krijgt niet de zekerheid waar ze op hoopt. Zelfs het medium dat ze ondanks al haar twijfels raadpleegt om maar contact te krijgen met de dode Edmond, zegt: ‘Hij is hoe dan ook al veel te lang dood, hij is niet meer aan gene zijde, hij is al gereïncarneerd, hij kan u dus geen berichten meer sturen.’

Ondertussen ontvouwt zich haar eigen geschiedenis als ze in haar Clairfontaine-schriftjes duikt: haar huwelijk met Vincent, waaruit twee dochters zijn geboren, maar dat uiteindelijk een complex en broos bouwwerk blijkt, omdat Vincent homoseksueel is. Jaren achtereen houdt ze zich vast aan de droom die ze ooit heeft opgeschreven: ‘Vincent en ik zijn in ons huis. Het huis stijgt op als een vliegende schotel, het bereikt de hoogte van bomen en flatgebouwen en glijdt dwars door alles heen zonder kapot te gaan of ook maar iets te beschadigen.’ Terwijl Vincent verschillende relaties aangaat met mannen die zelfs tijdelijk in hun huis komen wonen, wijkt de vertelster uit naar kamers in de marge. Ze brengt de kinderen naar school, wordt bewonderd door diverse mannen, die ze steeds weer op afstand houdt, omdat geen enkele maar in de buurt komt van haar geliefde Vincent. Buitenstaanders zijn verbaasd over hun huwelijk dat ondanks al Vincents escapades stand blijft houden.

De vertelster probeert vat te krijgen op haar eigen overwegingen en emoties gedurende dit bizarre huwelijk. Ze gaat soms mee naar feesten in gay-pubs. Ze herinnert zich dat haar moeder ooit zei dat ze een energieke schoonheid bezat, zoals de Venus van Milo: ‘Maar de Venus van Milo had geen armen om aan te geven dat ze verdronk, geen handen om te omhelzen, geen vingers om een gezicht te strelen.’ Het is of ze permanent in de overlevingsstand staat en dit doet dan toch weer denken aan de vrouw uit Nacht op klaarlichte dag, die opnieuw afspreekt met de man die haar op gruwelijke wijze heeft misbruikt. Niet dat Vincent haar misbruikt, want hij is juist heel liefdevol en hij gunt haar alles, maar er kruipt een totale verlatenheid tussen de regels door die aan het woekeren gaat.

Een schimmig bestaan blijft niet bij een geschiedenis over Edmond of bij die van de vertelster. Door Lamarches intieme en subtiele stijl kruipt het stukje bij beetje je eigen gedachten in. Zijn deze gedachten over de liefde, over menselijke relaties, die van de vertelster, of van jouzelf? De wonderlijke verschijning van Edmond in het slot spiegelt de ervaring van de lezer, die allang onderdeel is geworden van een woekerende buddleja.

Dietske Geerlings

Caroline Lamarche – Een schimmig bestaan. Vertaald door Katelijne De Vuyst. Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk. 240 blz. €26,90.

Te koop bij de betere boekhandel of direct bij de uitgever.