Een broeierige sirocco

De novelle Mario und der Zauberer uit 1930 van Nobelprijswinnaar Thomas Mann leent zich, juist in deze tijd, als politiek parabel uitstekend voor een heruitgave. De parallel met deze tijd is schokkend. De mens die van het verleden alleen leert dat we er niets van leren. Vertaalster Duitse literatuur en docente aan de uni van Gent, Els Snick, tevens alom gewaardeerd ‘Joseph Roth professor’, verzorgde de hertaling in de beeldverhalenreeks Oogachtend van de Arbeiderspers.

De Gentse beeldend kunstenaar Koenraad Tinel zorgde met zijn typische vervloeiende lijnen in zwart-wit, met een passende ‘woestheid’ voor een amalgaam van beeld en tekst, waar hij eerder voor dezelfde reeks zijn jeugd in een collaborerend gezin in de Tweede Wereldoorlog in de bundel Scheisseimer van zich af tekende met ‘rauwe, razende inkten’.

Mann schreef de novelle over het fictieve plaatsje Torre di venere (toren van Venus) in 1930 na een vakantie in Italië waarbij de schrijver, al van jongs af een begenadigd observator met oog voor detail, voor invoeling – zie daarvoor de door Ria van Hengel heel fris vertaalde begin dit jaar verschenen Verzamelde verhalen – de veranderde, grimmige sfeer aan den lijve proefde, daarin al voortekenen zag. De schrijver in het algemeen, door voelsprieten die altijd ‘aanstaan’, die iets weg heeft van een ziener, vooruit een soort magiër. De tovenaar die Mann hier presenteert is van een ander kaliber. Het is eerder de verpersoonlijking van het kwaad, van de hypnotiseur van de massa, van een dictator die zijn wil oplegt, het individu verlamt.

Een man, vrouw en twee jonge kinderen komen voor een vakantie aan met de trein. Al gelijk heerst er onbehagen, ergernis, beklemming. De herinnering eraan zorgt voor een wrange bijsmaak. Maar goed er is de zee, de warmte en een mooi grand hotel. Het krioelt er van de mensen, van de toeristen, maar gelukkig zijn er ook terrasjes met de vriendelijke ober Mario bijvoorbeeld.

De man, laten we zeggen de schrijver, vindt het als noorderling veel te heet, veel te druk. Beter was het geweest om in het voor-of najaar te gaan. Dan is het weliswaar niet verlaten. ‘Maar is de sfeer serener en minder uitgesproken Italiaans.’

Waar Tinel eerst nog redelijk vrolijke, bijna in te kleuren, terrasjes, parasols en muzikanten tekent, blijkt ook uit de ‘verzwaring’ van de tekeningen de irritatie. De adel uit Rome die eigenlijk geen vreemdelingen duldt. Die er aparte ideeën over het (vreemde) volk op na houdt. De al bijna genezen kinkhoest van het kind van de schrijver zou voor besmetting via de oren kunnen zorgen. De geruststelling van een dokter is niet genoeg. Het gezin van de schrijver verhuist naar een fijn pension, waarvan de uitbaatster een assistente was van een beroemde actrice.

De kinderen noemt Mann een ‘eigen nationaliteit’. Zij trekken zich niets aan van de (nieuwe) conventies. Maar kleinburgerlijk gespuis verpest de boel. Geïndoctrineerde Italiaanse kinderen maken ruzie over status en voorrang, zwaaien met vlaggen. Een onschuldig incident, het kleine meisje van de schrijver dat naakt het badpakje afspoelt leidt tot verontwaardiging, tot politie, een boete.

De verteller vraagt zich keer op keer af waarom hij de plaats, het land niet verlaat, maar ook zijn wil lijkt ergens gebroken. Al helemaal toen via posters de komst van de magiër, een publiekstrekker, wordt aangekondigd. Wanneer de kinderen van de schrijver de poster zien, zeuren ze net zo lang totdat er kaartjes worden gekocht.

Maar bij wat voor voorstelling is het gezin, is de lezer, de toeschouwer eigenlijk beland? Een mismaakte man in zwarte cape die maar met zijn zweep hoeft te knallen om een argeloze ‘vrijwilliger’ tegen zijn of haar wil de meest vreemde capriolen te doen uithalen. Hetgeen de magiër beantwoordt met de Romeinse groet.

Tinel voert met zijn tekeningen de sfeer tot diabolische hoogtes op. Het publiek danst naar de pijpen van de ‘dictator’. Maar bij Mario gaat hij te ver. Met alle gevolgen van dien. Terwijl de carabinieri binnenstormen, verlaten de verteller en zijn gezin eindelijk de zaal. Het voelt voor de verteller als een gruwelijk maar tegelijkertijd ook bevrijdend einde.

Het zal nog pakweg vijftien jaar duren voordat aan de kunstjes van andere magiërs definitief een einde komt. Mario en de magiër in de versie van Tinel en Snick doet eer aan het origineel, maar geeft in beeld nog een extra krachtige waarschuwing.

Guus Bauer

Thomas Mann – Mario en de magiër. Vertaling Els Snick. Beeldverhaal Koenraad Tinel. Oogachtend, De Arbeiderspers, Amsterdam. 336 blz. € 34,99.