Een naoorlogse literatuurgeschiedenis zou onvolledig zijn zonder aandacht voor het proza, de essays en poëzie van H. C. ten Berge (1938), waarvoor hij in 2006 de P.C. Hooftprijs ontving. Daarnaast vertaalde hij poëzie: deze week kwam Een kolibrie boven de waterval van de Amerikaanse dichter Robert Hass uit bij PoëzieCentrum. In 1967 startte Ten Berge als aanvankelijk enige redacteur het invloedrijke, internationaal georiënteerde tijdschrift Raster. Een beginnende dichter als Hans Faverey kreeg daar onderdak omdat zijn gedichten door andere tijdschriften waren geweigerd. Ze waren ‘te moeilijk’.
Na het verschijnen van het tweede deel van zijn verzamelde poëzie, Cantus Firmus, werd het stil rond Ten Berge. Onterecht, want sinds 2014 heeft hij, afgezien van proza en essays, vijf poëziebundels gepubliceerd, de laatste in 2025: Hier & ginder. Het voert te ver om hier op de afzonderlijke bundels in te gaan, maar eén ding moet worden gezegd: zij zijn onverminderd goed en altijd anders dan de voorgaande.
De voorpublicatie van ‘Een vleugje Spinozisme’, geschreven in maart 2026, is daar een illustratie van.

Hans Puper

Een vleugje Spinozisme

of
een ontmoeting in de geest

‘Al het voortreffelijks is even moeizaam
als zeldzaam,’ schreef je aan het einde van
de Ethica. Een zin die tot op heden diep in
mij verankerd lag. Herman Gorter, dichter
van het licht, raakte eerder al geobsedeerd
door jouw geschrift, vertaalde het op zijn                                 1895
manier en schreef Spinozistische gedichten
buitendien. De verzen, vol gewrongen rijmen,
vielen niet goed uit, al was de dichter – nog
geen socialist – toen ‘geheel met God vervuld’
en onderscheidde hij de ware ‘denking’
van de valse, zoals jij die had geformuleerd.

Jouw werk stond al decennia onaangeroerd
en nooit herlezen op de plank, gekafte oude
exemplaren van de Ethica en de Wijsgeerige
Fragmenten
uit het Latijn vertaald en ingeleid
door jhr. Dr. N. van Suchtelen die voorheen
op Walden woonde waar hij als idealist
met schrijver-psychiater Frederik van Eeden
hand- en hoofdarbeid afwisselend beoefende,
Freud en Spinozisme met elkaar verbond,
maar ook dagelijks op zijn knieën wroette
in de grond om wortels, kool en aardappels
te telen, waarmee hij langs de huizen ging
om te verkopen, wat zoon Waldo (jaren her
als kind ook op de kar gezeten) later eens
met afschuw in zijn stem aan mij vertelde.

Wat bracht mij langgeleden tot een studie
van jouw strenge Ethica en ernstige tractaten?
Ik was achttien en verrukt van Hadewijchs
felle lyriek, alsook de heldere mystiek van
middeleeuwse denkers of asceten. Toonde
jij, Baruch de Spinoza, niet van jongs af aan
eenzelfde helderheid van denken en een
toentertijd opmerkelijke drang naar vrijheid,
ingetoomd door strikte discipline die jou als
een eigenzinnige, gesloten geest getekend had?

Zoon van Sefardische Marranen, maar geboren
op de Vlooienburg in Amsterdam, had je heel
jong je moeder en twee stiefmoeders verloren
(wat het gemoedsleven misschien wel knakte).
Als briljante, heldere geest hield men je al gauw
op de Talmoedschool scherp in het vizier: voor-
bestemd als religieuze leider van de Portugese
joden in de stad stond je onder druk (wat je niet
zinde en weerbarstig stemde). Uit jouw houding
bleek dat je de geloofswetten niet accepteerde en
‘vooroordelen van godgeleerden’ niet verdroeg.
De joodse God en die der christenen of pantheisten
waren identiek – de godheid stond gelijk aan
de Natuur en hield ook Waarheid in: een superieur
geloof berustte in jouw ogen op een hersenspinsel.
Men probeerde je koelbloedige opstandigheid
te sussen; de rabbi’s boden zelfs een jaargeld aan
om je te behouden, wat je vastbesloten weigerde.
Er werd gestookt, er waren dreigementen. Na
een ‘kleine ban’ en een respijt van dertig dagen
werd ‘de grote banvloek’ door de rabbi Aboab
in de synagoge uitgesproken en jij als paria                                 27 juli 1656
uit de beschutte joodse kring verstoten. Voor jou
had het geloof toen afgedaan, je verliet de stad
voor enkele maanden, vond tijdelijk onderdak
in Ouderkerk a/d Amstel. De geleerde Vlaamse
Amsterdammer Dr. Franciscus Van den Enden,
libertijn, nam je al spoedig op in zijn gastvrije
open woning en salon, en was de man die jou
perfect Latijn en de wijsgerige methode van
Descartes bijbracht. Je bewoog je graag onder
vrijzinnige christenen en doopsgezinden, en
verhuisde met je leermeester naar Rijnsburg
dichtbij Leiden, centrum van de religieuze
libertijnen die Collegianten heetten. Solitair,
in een bescheiden huisje, ga je schrijven ‘Over
de verbetering van het verstand’, later gevolgd
door andere diepgravende tractaten, waarvan
het ‘Godgeleerd-Staatkundig-Vertoog’ vooral
postuum bewondering zal oogsten.
        Manuscripten worden niet vermenigvuldigd,
        tenzij een goede kopiist wordt ingehuurd.
        Verzending is een hachelijke zaak: een enig
        exemplaar raakt zoek of wordt beschadigd,
        een persoonlijke koerier is duur. Jij leeft sober
        en verdient de kost als glas- en lenzenslijper,
        werkt altijd nauwgezet aan alles wat je doet.
        Christiaan Huygens, wis- en sterrenkundige,
        koopt bij jou de lenzen voor zijn observaties.
        (Keek je soms ook samen naar de supernova
        die toen aan de hemel stond? Of ging het om
        een botsing tussen sterren?)

De Ethica, dat grote werk, koel, ja onverstoorbaar,
maar intens en zeer geconcentreerd geschreven
kost je met tussenpozen dertien jaar om op papier
te krijgen. Je bent niet van je stuk te brengen en
gaat echt historie schrijven. Je heet geen Baruch
meer, je noemt jezelf nu Benedictus de Spinoza.
De ratio is primair, de stof wordt ‘in meetkundige
trant uiteengezet’. Je tolereert geen zweem
van poëzie, indachtig de idee dat filosofie en
dichtkunst elkaar nooit hebben verdragen (wat
het Spinozistisch werk van Gorter onderstreept).
Muziek, toneel, de bloei van onze schilderkunst
gaan ook aan je voorbij. Een gevoelsmens ben je
niet, beweert men. (Maar wie heeft werkelijk weet
van iemands ongeziene leven?) Hoewel eenzaam
en gesloten heb je toch veel vrienden. Onder
doopsgezinden en Collegianten, die gezag inzake
het geloof verwerpen, wordt je werk aandachtig
doorgenomen en vrijuit besproken. Jouw pleidooi
voor een gewetensvrij, verdraagzaam leven is
in Rijnsburg (door De Witt bestuurd) en de kring
van Amsterdamse vrienden positief ontvangen.
        Je spreekt, zegt men, gebrekkig Nederlands,
        leest voornamelijk Spaans en schrijft wat je
        bedenkt in het Latijn. Zo ook de Ethica
        je hanteert een mathematische methode van
        stellingen en bewijzen in een soms wat minder
        soepele, zij het uitgekiende taal zonder
        formules en getallen, aangevuld met hier en
        daar een toelichting of een terzijde: zware kost
        voor wie niet goed kan lezen, maar glashelder
        voor de denkfanaat. Je bestrijkt een schat aan
        onderwerpen, schrijft over God en metafysische
        aspecten, over goed en kwaad, volmaakt en
        onvolmaakt, je weidt uit over menselijke kennis,
        toetst ware en onware beelden, deugden en
        affecten. Je spreekt je zelfs nog uit over de staat
        en vraagt je af: ‘Wat ware dat voor een staat die
        zijn beste burgers tot bitterste vijanden maakt?’

Terwijl je, al woonachtig in Den Haag, de woorden
slijpt als lenzen, vindt op de 20e augustus 1672
de gruwelmoord op Johan de Witt en broer Cornelis
plaats. De eerste – toen nog leider van de Republiek –
had jou reeds in Rijnsburg aangemoedigd en gesteund.
Cornelis was een dag daarvoor zo wreed gemarteld
dat na afloop zelfs de beul Jan Corstiaensz kapot en
misselijk was. Opgehangen aan de wipgalg op het
Groene Zoodje[*] dichtbij de Gevangenenpoort werden
de twee broers ontkleed, opengereten en gecastreerd
tentoongesteld na eerst op straat gelyncht te zijn door
orangistisch, adellijk tuig en de opgehitste dronken
schutterij. Een scène om niet verder te beschrijven.
Maar jij, de ingetogen stoïcijnse filosoof, je bent diep
geschokt, verkeert in alle staten, schrijft nog diezelfde
avond een plakkaat tegen ‘de laagste der barbaren’
dat je – acuut gevaar ten spijt – met spoed wilt
ophangen bij de Gevangenenpoort, wat je huismeester
uit vrees voor het gepeupel net op tijd voorkomt
(waardoor een derde moord wordt afgewend).

        In die tijd al hoog in Duitsland gewaardeerd
        word jij door inheemse vijanden voor een god-
        loochenaar uitgemaakt. Evenals de Ethica zou
        het Staatkundige Tractaat godslasterlijke taal
        bevatten, al is het grote werk nog onvoltooid
        en hebben slechts bevriende lezers een keuze
        uit de handgeschreven stukken bestudeerd.
        Jij gunsteling van De Witt, maar ook ‘een jood
        die ketters en afvallig’ is – invloedrijke, steile
        calvinisten houden je op basis van geruchten
        in het oog: je wordt gewantrouwd, in bedekte
        termen ook bedreigd. Maar wat je schrijft is dit:
        ‘Onder God versta ik het volstrekt oneindige wezen,
        dat wil zeggen een substantie die bestaat uit
        een oneindig aantal attributen van welke ieder
        voor zich een eeuwig en oneindig wezen uitdrukt.’

        Voor de bekrompen burgerij voeg je er, zo
        niet blasfemisch dan toch wel vrijmoedig en
        voldaan aan toe: ‘God is gelijk aan de Natuur’.

Na het rampjaar werk je weer in stilte door
(eenzelvigheid, ook bij dichters welbekend).
De Ethica eenmaal voltooid zie je van publicatie
af vanwege een venijnige benepen atmosfeer.
Je schrijft en slijpt en kijkt, sterk vergroot, in een
zelfgebouwde microscoop naar het nietigste
dat leeft. Glasstof dringt sluipenderwijs steeds
dieper in je longen door, maar je geeft geen krimp.
Je correspondeert en krijgt bezoek. Eind ’76 staat
Gottfried Leibniz, natuurkundige en Duitse denkreus
in de groei (die ook contact met Christiaan Huygens
onderhoudt) te popelen voor jouw deur. Hij leest
het manuscript en wisselt urenlang gedachten en
ervaringen met jou uit. Leibniz deelt jouw leer, die
hij in latere jaren weer bestrijdt. Of hij jouw longziekte
bespeurt is onbekend. Je bent vermagerd, maar zet
al je bezigheden voort. Alleen je heelmeester merkt op
hoe slecht het met je adem en je longen is gesteld.
Je overlijdt toch onverwacht als hij op bezoek komt
in het woonhuis aan de Paviljoensgracht in Den Haag.
Het is 21 februari 1677. Je bent pas vijfenveertig jaar.
De Ethica bevindt zich na je dood met andere teksten
in de lessenaar, maar wordt nog voor het einde van
dat jaar door Jan Siewertsz afgedrukt en uitgebracht.

Naast waardering van je tijdgenoten is er ook
het nodige gif. De weerklank in de Republiek
is soms zuur en zuiniger dan in het buitenland,
ofschoon een zekere Kortholt omstreeks 1700
een geschrift in Hamburg publiceert waarin
‘Drie Grote Bedriegers’ in stevige en malicieuze
termen worden gefileerd. Jij wordt opgevoerd
als ‘Maledictus de Spinoza’, de vervloekte, over
wie de schrijver uitroept dat jij als perfide atheïst
en leugenaar alsnog ‘de schurft mag krijgen’.
Jouw wijsbegeerte is terra spinosa, een doornige
aarde die van elke stap een kwelling maakt.
        Johannes Colerus, predikant en rechtzinnige
        lutheraan, is een vroege biograaf die in 1705
        een ‘korte, dog waaragtige’ beschrijving biedt,
        waarin hij fel tegen jouw denkbeelden ageert,
        maar je leven zo betrouwbaar mogelijk belicht.
        Lof & lompheid, pro & contra wisselen elkaar af.
        Pas twee eeuwen na jouw dood zal oprechte en
        diepgaande aandacht voor jouw werk ontwaken
        in het land waar je geboren bent.

Hoe anders ging dat onder Duitse filosofen bij wie
de weerklank zeer warmhartig, soms uitbundig was.
Fichte, Hegel, Schelling, zij betuigen hun respect.
Voor de vrijdenker en schrijver Gotthold Lessing
‘zal de algemene religie een gelouterd Spinozisme
zijn, indien de wereld nog voldoende jaren bestaat.’
Friedrich Schleiermacher, theoloog tussen Verlichting
en Romantiek, ‘offert met eerbied een haarlok aan
de nagedachtenis van de heilige, verstoten Spinoza.’
Voor de dichter Heinrich Heine straalt jouw werk
een atmosfeer uit die hij ‘onverklaarbaar’ noemt.
De mathematische methode vindt hij weliswaar
weinig aantrekkelijk, maar ‘je voelt: de adem
van de toekomst waait ons tegemoet’.

Waarde & Wijsgerige Benedictus,
        Met drie slagen om de arm
        houd ik mij die uitspraak
        voor gezegd.
Maar belangrijker dan dat:
Jouw hoge en welhaast mystieke Godsliefde
was uiteindelijk verstandelijk van aard.
Waarheidsdrang verdroeg geen compromis,
vriendschap was een kostbaar goed.
Blijmoedigheid vergrootte het aandeel in
de goddelijke Natuur, waardoor je dagelijkse
gedachten aan de dood tot de aanvaarding
van het leven werden omgevormd.
Of je ooit, spontaan of niet, de aardse
liefde hebt genoten, is mij niet bekend.

(maart 2026)

H.C. Ten Berge

[*] Een vast met graszoden bedekt schavot, eeuwenlang de Haagse executieplaats.

(afbeelding: N.V. Ateliers voor edelsmeed- en penningkunst v.h. “Koninklijke Begeer” / Pierre Turin (Sucy-en-Brie 1891 – 1968), CC BY-SA 3.0)