Nieuws: Robert Anker – Innerlijke vaart
Grabbelton
Uitgeverij L Veen geeft al een paar jaar ‘zomer- en herfstdagboeken’ uit. Het idee is simpel en leuk: men vraagt een schrijver een tijdje een dagboek bij te houden. Onder anderen Willem Jan Otten, Willem Aantjes, Désanne van Brederode en Jan Terlouw kwamen al aan de beurt. En nu Robert Anker, Librisprijswinnaar en auteur van een langzamerhand groot en gevarieerd oeuvre. Hij besloot niet een dagboek bij te houden, maar van de gelegenheid gebruik te maken iets te vertellen over zijn jeugd, zijn leven, zijn leraarschap, zijn schrijfcarrière en wat hem zoal meer inviel.
Alles bij elkaar werd het een grabbelton aan herinneringen, meningen en vaak eigenwijze ontboezemingen van een schrijver die het blijkbaar nu wel eens gezegd wil hebben. Ik ging tijdens het lezen van Innerlijke vaart heel wat keren met hem in discussie, mijn exemplaar staat vol aantekeningen, uitroeptekens en vraagtekens. Een goed teken natuurlijk, bij dit herinneringsboek van Anker beleef je niet snel a dull moment.
Uitvoerig gaat hij in op zijn middelbareschooltijd en dat levert mooie terugblikken op over ‘hoe het toen was’. Anker trapt niet in de val van de zwijmelende nostalgie, bij hem was het vroeger niet mooier of beter. Af en toe zat ik wel te hopen op meer gedetailleerdere herinneringen. Waarom ging het precies uit met die en die? Blijkbaar wil hij zijn jeugdvrienden en geliefden en zichzelf toch ook in bescherming nemen. Erg veel pijnlijks of genants staat er dus niet in, misschien durfde hij dat (nog) niet aan.
Anker houdt duidelijk van het literaire en culturele leven. Hij beschrijft gezellige diners met zijn vrienden die hij graag bij naam en toenaam noemt. Hij beseft wel dat dit soort name droppings een merkwaardig onbescheiden indruk maakt en dus voegt hij er af en toe ironische opmerkingen aan toe: ‘Name-dropping had ik toch beloofd? Opdat u kunt zien met wie wij allemaal omgaan en hoe onbereikbaar dat is…’
Allemaal niet erg natuurlijk, maar het heeft, hoe je het wendt of keert, toch iets zelfgenoegzaams zo te schermen met interessante vrienden en kennissen die allemaal interessant werk maken en interessante opinies hebben. Dat zelfgenoegzame keert ook terug in de vele meningen die Anker met veel aplomb verkondigt. Zo stelt hij dat jazzmuziek ten dode is opgeschreven. En dat de kwaliteit van een kunstwerk door ‘deskundigen’ wordt bepaald. Over beide meningen zou je uiteraard een fors debat op kunnen zetten, maar in debatten heeft hij weinig zin: zo is het en verder moeten we niet zeuren.
Merkwaardig en pijnlijk is de zeer venijnige beschrijving van Concertgebouwbezoekers ‘met hun oude-mannen-grimas’, ‘hun vrouwen met een rode kalkoenenhals achter een Burberrysjaaltje verstopt’. Plotseling klinkt iets rancuneus neus in zijn zinnen door, wat heeft hij precies tegen concertbezoekers? Zou hij werkelijk menen dat hij zelf een veel interessanter uiterlijk heeft en dat alleen al in zijn kleding zijn verheven schrijverschap zichtbaar is?
Ook merkwaardig is zijn aanval op Ilja Leonard Pfeijffer die een van zijn dichtbundels ongunstig besprak. Ineens slaat hij geweldig aan het schelden, hij deinst er zelfs niet voor terug het over ‘Pijper’ te hebben, maar hij vergeet te argumenteren en hij vergeet dat Pfeijffer heel wat scherper en doeltreffender polemiseert dan hij. Het is een talent om tegen kritiek te kunnen en Anker heeft het niet.
Kees ’t Hart
Robert Anker – Innerlijke vaart. L.J. Veen, Amsterdam. 254 blz.
Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 5 augustus 2005.
