Amalgaam

In de nieuwe roman Heem van Alexander Nieuwenhuis springt een jongeman van een hoge brug, met het idee dat de val, het water hem kan reinigen, hem naar een nieuw begin kan helpen. ‘Het zou geen sprong in het vitale water van de jeugd zijn, maar een weifelende val in de poelen der volwassenheid.’ Hij lijdt aan liefdesverdriet. Gebruinde Franse jongens laten zich keer op keer met gemak van de brug vallen, zijn niet te stuiten. Zij springen voor hun plezier.

Wanneer de naamloze hoofdpersoon uiteindelijk springt, breekt hij daarbij een ruggenwervel, belandt in het ziekenhuis, wordt veroordeeld tot het dragen van een korset. Dit ‘korset’, de sprong, de wanhopige verhouding met de vrijgevochten Gioia die hij over de wereld achterna reisde, gooit het personage in de loop van de roman van zich af, door lange wandelingen te maken door zijn geboorteland Nederland. Daarbij komt hij verschillende mensen tegen die allemaal een manier hebben gevonden om ‘in het reine te komen’ met het leven, eigenlijk altijd door te breken met een conventie, door een totaal andere wending te nemen.

Nieuwenhuis weet deze ontmoetingen functioneel in te bedden, gebruik te maken van hun bijzondere eigenschappen of bezigheden. In tegenstelling tot programmamakers die alle spontaniteit dood redigeren. (Michael Palin die in India een treinstel afhuurt en daar ‘spontane gesprekken’ voert met ‘toevallige passanten’.) Nieuwenhuis is onder meer essayist en wildernisgids en weet via zijn personages kennis voldoende terloops over te brengen. Je hebt bijna nergens het idee dat de roman daardoor gaat zweten, als het ware een Wikipediaboek wordt.
Mensen in het algemeen maken veel meer mee, ontmoeten vaker dan ze denken bijzondere voorbijgangers, maar denken daar niet over na, handelen er niet naar, doen er niets mee. Dat is de kracht van de schrijver, die daar juist wel mee werkt, er ergens toe gedreven wordt. De verbeelding die daarnaast personages kan toevoegen, testen. De hoofdpersoon in Heem legt verkregen kennis meermaals voor aan een volgende passant. Een roman als een kettingverhaal.

Het zijn bijzondere types, de landgenoot in het Franse ziekenhuis, daarna ene Arie, woonachtig in een huisje in de bossen, een voormalige ambtenaar, die zich op de plant- en heemkunde heeft gestort, iemand die in elk geval de hoofdpersoon anders doet kijken naar de natuur – zodat hij later bij een bezoek aan zijn ouderlijk huis in Amstelveen zachtjes de namen van de planten kan reciteren, de namen die hij vroeger niet kende, de natuur die hem toen nog vreemd was, zonder betekenis.

Het geeft Nieuwenhuis tevens de kans om bijvoorbeeld de werkwijze van de Heidemaatschappij aan de kaak te stellen. (Werkkampen waarvan de bezetter later dankbaar gebruikmaakte). Vult daarmee de geschiedenis van het heem dat Nederland heet weer iets aan. Je zou de zorgvuldigheid van Nieuwenhuis tekort doen door de kennis in zijn roman af te doen met ‘interessante weetjes’.

Een Engelse voormalige antropoloog die na een verblijf in de woestijn niet meer kan aarden en met een abonnement in treinen leeft. Een oogheelkundige in ruste, die – nog een vrijwillige val – na het luchtduiken met zijn parachute vlakbij landt, die op zijn erf tonnen vol met wiebelstenen heeft staan, die uit zichzelf kunnen terugdraaien naar een voorkeursrichting. Wat is hij daarmee van plan? Niet veel meer dan op dat moment. Het verzamelen is hem genoeg, het af en toe uitproberen van een exemplaar. De essentie van het leven zonder een juk.

De herinneringen spelen zich deels af tijdens de pandemie. In retrospectief in sommige opzichten een interessante tijd. De lege straten, de avondklok. ‘Het voordeel van de pandemie was dat er een tijdelijk paradijs ontstond voor de introverten.’ Het gaat, om Marjoleine de Vos in Ik ben hier liever niet alleen te citeren, niet om het realiseren, maar om het verlángen naar het mythische paradijs. Nieuwenhuis creëert daartoe in Heem een interessant amalgaam, een zoektocht naar een thuis in literatuur, in kennis in het algemeen, de verwerking van een verloren gegane relatie, een heel particulier helingsproces, een zelfanalyse, een reconstructie van de liefde, een herwaardering van eerdere gebeurtenissen, van de jeugd, van de natuur.

Dat alles in een meanderende stijl, aangenaam hoofdstukvrij, met af en toe een essayistisch uithaaltje. Achterin staat een lijst met boektitels die als echo hebben gewerkt voor Heem. Dat heeft in dit geval niets met pedanterie te maken. Er wordt in de tekst wederom niet mee geschermd. ‘De kunst is om transparant te schrijven zonder doorzichtig te zijn.’ Doorzichtig is Heem beslist niet. Schrijven en lezen als loutering.

Guus Bauer

Alexander Nieuwenhuis – Heem. Van Oorschot, Amsterdam. 144 blz. € 21,50.