Column: [Sic] – De groeipijnen van Bert Natter
De groeipijnen van Bert Natter
Bert Natter is zich steeds aan het verdedigen en dat is een knappe prestatie als je net de Libris Literatuur Prijs hebt gewonnen, even daarvoor de Confituur Boekhandelsprijs en nog wat eerder de Mezza Boek van het Jaarverkiezing. Ik zou verwachten dat hij nu nog ergens in de lampen hangt, schreeuwend dat hij de beste schrijver van het jaar is en dat iedereen een rondje kan krijgen, en nog, en nog een, ‘en weet je wat: een víérkantje kunnen jullie krijgen’, en dat zijn vrouw, die het hoge inkomen al wat beter gewend is, dan tegen hem zegt dat hij nu wel naar beneden mag komen, dat de koele slaapkamer op hem wacht.
Helaas hangt Natter niet in de lampen, maar is hij eindeloze weerwoorden aan het schrijven tegen alle onbeduidende personen die kanttekeningen plaatsen bij zijn prijswinnende roman, om vervolgens een statement te maken dat hij schoon genoeg heeft van het reageren op al die stukken – waarmee hij het spreekwoordelijke papiertje bij de spoedcursus grote schrijver worden dan eindelijk lijkt te hebben behaald.
Dat Natter tot Aan het einde van de oorlog niet in de kijker van het grote publiek stond (ondanks het geprezen Begeerte heeft ons aangeraakt), lijkt me niet los te zien van hoe hij momenteel als een klein, weliswaar belezen, kind om zich heen aan het slaan is als hij kritiek krijgt op zijn roman. Dat die kritieken slechts geschreven worden omdát hij een relevant boek heeft geschreven, dat het dus eigenlijk een compliment is dat mensen zo stilstaan bij zijn boek en menen dat hun lezing ervan relevant is voor het grote publiek, is een idee dat niet bij hem aanslaat.
Het begon met het weerwoord tegen Fabian Stolk, een vermakelijke oud-universitair docent Moderne Nederlandse letterkunde die door zijn eigen studenten (hoi!) ook al niet serieus werd genomen. Natter schrijft bij zijn tegenreactie dan zelf nog hoopvol dat hij kritiek meestal ‘lijdzaam ondergaat’.
Die hoop blijkt ijdel, want vanaf dat moment is het bal. Stolk krijgt een follow-up, als een beginnend columnist op Tzum genaamd Martijn van Bruggen weinig mooie woorden overheeft voor Aan het einde van de oorlog volgen er twee stukken, kort en lang, keurig om de Libris Literatuur Prijs-uitreiking heen gevouwen, en deze week moet ook Dietske Geerlings eraan geloven na haar essay op dit platform. Wederom een gigantische blogpost waarin Natter ieder kritiekpuntje probeert te weerleggen en steeds wil aantonen dat hij over alles heeft nagedacht.
Laat het duidelijk zijn: Natter heeft vaak gelijk. Zo wees hij mij er fijntjes op dat ik twee personages door elkaar haalde. Ook zal het ongetwijfeld waar zijn dat hij heel goed heeft nagedacht over het geschrevene, en dat niemand zoveel kennis heeft van zijn onderwerp als hijzelf. Die wetenschap is voor hem alleen niet afdoende. Natter lijkt pas te kunnen rusten als iedereen daarvan overtuigd is en dat gaat natuurlijk nooit gebeuren. Niet nu hij zo’n groot lezerspubliek heeft gekregen. Dat stemt me lichtelijk verdrietig, want zo schrobt hij eigenhandig de glans van zijn literaire topjaar af. Hij begint vervelende trekjes te krijgen, door zowel tegen Stolk als Geerlings te kraaien dat zij willen bepalen wat hij mag schrijven (wat volgens mij evident onjuist is), door behoorlijk paranoia te roepen dat alle genoemde critici al voor het lezen van plan waren de roman af te kraken of door Geerlings vaderlijk schrijfadvies te geven (twee keer ‘begin’ in dezelfde zin is niet zo mooi).
Over dat laatste punt: als ik iemand mag uitkiezen om schrijfles over stijl te krijgen dan zou dat, gebaseerd op Aan het einde van de oorlog, zeker niet Natter zijn:
Als je de verhalen mag geloven over wat er in het bos daar gebeurt, worden de gruwelijke taferelen die Lucienne heeft moeten aanschouwen in de grote tent tussen Barak 24 en 26 gereduceerd tot een gezellige circusvoorstelling voor alle leeftijden.
Natter zal vermoedelijk schrijven dat die circusvoorstellingsvergelijking intentioneel knullig is, of met een verwijzing komen naar grijsaard X of oude bes Y. Natter zal dat doen, maar een beetje schrijver van zijn kersverse statuur doet dat niet. Die laat de kritiek lekker langs zich heen gaan, zeker als die niet van prominenten komt, of reageert zoals Pieter Waterdrinker meteen in de emotie. Met lange, gedetailleerde blogposts terugslaan naar amper waarneembare fruitvliegjes is behoorlijk uniek in de Nederlandse letteren, maar erg zinvol en goed voor je gemoed lijkt het me niet.
En zie! Natter vind het zelf ook genoeg geweest, schrijft hij twee dagen geleden. In een stuk waarin de wrokkigheid de letters laat uitlopen wijst hij er op dat de mensen die publiekelijk kanttekeningen plaatsen bij zijn roman dit doen op oneigenlijke gronden: ze hebben het boek namelijk niet of slecht gelezen, zijn vooringenomen en gebruiken slechte argumentatie. Een beetje slap om je criticasters zo af te serveren terwijl je diezelfde argumenten ook kan gebruiken bij de mensen die helemaal lyrisch zijn over Aan het einde van de oorlog. Als Natter die mensen ook eens de maat neemt, dan komt hij pas echt soeverein over.
Wat Natter hoog zit is dat hij het oncollegiaal vindt dat medeschrijvers als Kees ’t Hart, Geerlings en ondergetekende kritiek uiten op zijn roman. Dan hebben hij en ik een compleet ander beeld van het schrijverschap, want voor mij is dat juist onderdeel ervan. Ongenuanceerd en slordig is die kritiek idealiter natuurlijk niet, tenzij verrassend en stilistisch hoogstaand geformuleerd of een discussie verder helpend. Met zijn bij vlagen venijnige weerwoorden gaat Natter desalniettemin over zijn eigen collegialiteitsgrenzen heen, waarmee nog maar eens duidelijk wordt dat er een rode waas voor zijn ogen verschijnt wanneer zijn roman kritiek krijgt te verduren.
Terzijde: mijn kritiek op Natters stijl en het daarbij horende circusvoorstellingsvoorbeeld hadden nooit op papier gestaan als hij Geerlings’ essay gewoon langs zich heen had laten gaan. Kritiek op kritiek lokt nieuwe kritiek uit en daar is het de Libris Literatuur-prijswinnaar duidelijk niet om te doen.
Natter noemt mij in zijn stukken zoals gezegd steevast ‘collega’. Dat voelt vreemd. In mijn eigen beleving staat hij mijlenver boven mij, heeft hij dingen gepresteerd (een roman afschrijven, besproken worden, prijzen binnenharken) die ik allemaal nog maar moet zien te bereiken. Toch zal ik mij voor even in die rol verplaatsen en uit door hem gevraagde collegialiteit deze column schrijven, als oefening, om te kijken of het inderdaad ‘genoeg’ is geweest, of het hem lukt dit stuk te behandelen alsof het nooit geschreven is.
Martijn van Bruggen

Natter zou zich kunnen laten inspireren door Dickens.Die reageerde nooit persoonlijk op kritiek, dat was niet sjiek. Dickens bracht zijn troepen in stelling door anderen de kritiek te laten pareren. Natters gedrag zegt iets over de mate waarin de kunst van de litereaire kritiek is opgedoogd. Maar of de schrijver veel ‘literaire’ vrienden heeft?
Je gedraagt je als een klein kind, Martijn van Bruggen….