De Poezieboys & het RSP Poëziefestival

Poëzie mag dan wel in de reanimatiefase zitten, zoals Ronald Giphart het noemt, er worden nog genoeg evenementen met dat genre georganiseerd. Deze week was ik er bij twee. De eerste vond op woensdag plaats in Den Haag: de Poeziebar van de Poezieboys. Dat zijn Jos Nargy en Joep Hendrikx, twee zonderlinge figuren met een liefde voor poëzie en een nostalgie naar een vermeend legendarische poëzieavond met Simon Vinkenoog in Carré in 1966. Iedere maand organiseren ze een enigszins gelijkaardig evenement van zo’n twee uur waarin mededichters worden uitgenodigd om voor te dragen. Ditmaal waren dat Roan Kasanmonadi, Maxime Garcia Diaz, Sander Ausems en Ellen Deckwitz. Tussendoor zingen Nargy en Hendrikx wat, doen ze een raad-de-dichterquiz, vragen ze het publiek plotseling te gaan dansen en lezen ze en passant voor uit ouder werk (Gerrit Kouwenaar en H.H. ter Balkt bijvoorbeeld). Ook bedenken ze sketches. Zo was Nargy erg overtuigend als Voldemort. De avond is zo luchtig mogelijk: de oudere poëzie wordt voorgelezen met gekke stemmetjes. Dat werkt, want de zaal was vol en het publiek had een erg gulle lach. Dat iedereen van tevoren een alcoholisch drankje kreeg uitgedeeld (cava?) om het nieuwe jaar in te luiden heeft mogelijk geholpen.

Het belangrijkste was toch wel dat de poëzie van de vier optredende dichters niet onder de gekkigheid leed, sterker nog: er werd erg goed naar ze geluisterd en de wisselwerking met het publiek was uitstekend. Het voelt op de tribune alsof je onderdeel bent van de show, waardoor je dus ook meer begaan bent met de mensen op het podium. De goede sfeer sloeg over naar de dichters: Kasanmonadi schoot in de lach om zijn eigen dichtregels en Ellen Deckwitz moest haar gedicht over de moord op de zeventienjarige Lisa uitstellen omdat ze haar eigen intro te jolig vond. Daarna trok iedereen diens serieuste gezicht en kon het gedicht alsnog gebracht worden. Het was een intermezzo tijdens een onbezorgde avond, waarop serieuze poëzie licht verteerbaar bleek en grappig op de meest onbedoelde momenten.

De tweede poëziestop was het RSP Poëziefestival in Amsterdam. Ik trad daar gisteren zelf op, bij het blokje ‘Liefde onder het kapitalisme’. RSP staat namelijk voor Revolutionair Socialistische Partij en de organisatie beweert dat dit festival het grootste socialistische poëzie-evenement van Nederland is. Dat denk ik ook, omdat het waarschijnlijk het enige is. Aan het begin van de middag viel de opkomst tegen maar nadat men genoeg van de zon had genoten liep het behoorlijk vol. Op twee kaartjes na was het festival uitverkocht. Behoorlijk knap als je bedenkt dat het socialisme in Nederland een historisch curiosum is geworden én dat men zich ook nog op de op handen te tellen poëzieliefhebber richt.

Ik verwachtte qua sfeer een groot contrast met de Poezieboys en rekende op veel verontwaardigheid over de gang van zaken in de wereld plus het om de oren vliegen van containerbegrippen, maar ik bleek het mis te hebben. De jonge generatie socialisten is zich sterk bewust van de grote rol die poëzie in het verleden heeft gespeeld bij hun beweging en met liefde en volle overtuiging werden Herman Gorter, Freek van Leeuwen, Sonja Prins en Hugo Ball weer even tot leven gewekt. Zo had Jules Maximus waarschijnlijk urenlang geknutseld met schaar en papier om in hetzelfde pak als Ball op te kunnen treden. Het leverde veel gelukkige gezichten op. Hoogtepunt van de middag was de ‘Epic poetry battles of history’ waarin drie dichters het tegen elkaar opnamen onder hun aliassen Karl Marx, Adam Smith en Friedrich Nietzsche. Met punchlines probeerden ze elkaar af te maken en rijm was opeens weer dichters grootste vriend. Scherp, grappig en cool; als het socialisme zich zo gaat profileren dan wordt het nog iets om rekening mee te houden.

De meest raadselachtige regel van beide evenementen werd waarschijnlijk uitgesproken door dichter Frank Keizer. In een voor de rest gezapig panel over wat socialistische poëzie is stelde hij de vraag of we eigenlijk nog wel romans zouden moeten schrijven, omdat de roman een historisch genre is. Een knap staaltje hermetische poëzie wat mij betreft – en die moet je eigenlijk met een gek stemmetje brengen.

Martijn van Bruggen