Recensie: Daniela Hooghiemstra – De rode en de zwarte jonker
De liefde waarover men niet spreekt
De een werd een bekende Nederlander, de ander raakte in de vergetelheid. Marinus van der Goes van Naters (1900–2005), bijgenaamd ‘de rode baron’, was een vooraanstaand politicus van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en later van de Partij van de Arbeid. Tot op hoge leeftijd voorzag hij zijn partijgenoten van vaak onbarmhartig kritisch commentaar. Zijn drie jaar oudere broer Willem bevond zich aan de andere kant van het politieke spectrum: hij werd een enthousiast aanhanger van het nationaalsocialisme en van Adolf Hitler. In 1944 kwam hij als leider van een legertribunaal van de Duitse Wehrmacht in Italië onder verdachte omstandigheden om het leven. Daarna werd hij als het zwarte schaap uit de familiegeschiedenis weggemoffeld, zoals blijkt uit Marinus’ memoires, waarin hij amper gewag maakt van zijn broer.
Marinus, Willem en hun oudste broer Aert groeiden op in een standsbewust, aristocratisch gezin in Nijmegen. Hun vader was een vooraanstaand jurist die tijdens zijn leven in de adelstand werd verheven, hun moeder was een wat aanstellerige, dominante vrouw uit een oud Zeeuws regentengeslacht. Zij had zich liever met dochters omringd dan met de drie zonen die het echtpaar kreeg; haar tweede zoon kleedde en kapte zij als een meisje.
De twee jongste broers staan centraal in het dubbelportret De rode en de zwarte baron. De oorlog van Marinus en Willem van der Goes van Naters, geschreven door journalist en historicus Daniela Hooghiemstra (1967). Zij stelt de vraag hoe twee broers uit hetzelfde gezin zulke uiteenlopende politieke keuzes konden maken. En ook: hoe kon een zachtaardige man als Willem, die van klassieke muziek en sprookjes hield, zo’n kwaadaardige, antisemitische ideologie omhelzen?
De broers hadden veel gemeen: ze leden onder de verstikkende moederlijke heerszucht, studeerden rechten en wilden zich niet schikken in het burgerlijke bestaan van hun ouders. Hoewel zij met een vrouw trouwden en een gezin stichtten, koesterden zij ook intense, soms geëxalteerde liefdes voor mannen. Beiden waren ontvankelijk voor wat Bosie Douglas, de minnaar van Oscar Wilde, omschreef als ‘the love that dare not speak its name’.
Marinus zocht zijn heil in de sociaaldemocratie, mede onder invloed van zijn boezemvriend en schoolgenoot Herman Wiardi Beckman. Voor hen was het socialisme een nieuw geloof dat zij deelden en hun liefde kleurde. Vanaf 1925 vormden zij het gouden duo van de SDAP: ‘Twee angry young men die de partij gingen hervormen’.
Willem koos een andere weg. Via huidarts Jan Cornelis Schreuder, een van de eerste leden van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB), kwam hij in aanraking met het nationaalsocialisme. Hij en zijn vrouw, Mieke von Zeppelin (een verre verwant van de uitvinder van het luchtschip), sloten zich bij de NSB aan. Maar de partij was Willem te braaf, te kleinburgerlijk. Hij voelde zich aangetrokken tot het viriele fascisme zoals dat door Hitler en zijn medestanders werd belichaamd. Het Duitse ‘politieke totaaltheater’ betoverde hem:
Wat heiligen waren geweest voor de kerk, waren jongens en mannen voor het nationaalsocialisme. Zij werden door Hitler tot helden gemaakt die samen één superlichaam vormden. Die synchronisatie van spieren, schoonheid en geest – een viering van zinnelijkheid, weliswaar erotisch, maar als gemeenschapsmystiek toch niet zedeloos. Zij had immers een groot en heilig doel: het Germaanse Rijk.
Toen het Willem en zijn geestverwanten niet lukte om Anton Mussert als politiek leider van zijn troon te stoten, week hij met vrouw en kinderen uit naar Duitsland. Daar probeerde hij, vaak tevergeefs, zich als strijder voor het nationaalsocialisme verdienstelijk te maken. Voor het Oostfront werd hij afgekeurd. Na tal van andere baantjes nam hij genoegen met een functie als Gerichtsführer van een Wehrmacht-tribunaal, waar hij mogelijk soldaten moest straffen die zich aan homoseksuele handelingen hadden schuldig gemaakt. SS-leider Heinrich Himmler, die steeds meer invloed kreeg, had in 1943 verordonneerd dat er harder moest worden opgetreden tegen homo’s in de Wehrmacht. De houding van nazi-Duitsland tegenover homoseksualiteit was immers uiterst dubbelzinnig. ‘De “man-mannelijke eros” werd aan de ene kant gecultiveerd, aan de andere kant werd seks tussen mannen verketterd en als ontaard.’
Marinus, die sinds 1937 voor de SDAP in de Tweede Kamer zat, behoorde tot de groep vooraanstaande Nederlanders die door de Duitsers werden geïnterneerd als zogeheten Todeskandidaten, die bij onrust als vergelding konden worden gefusilleerd. Aanvankelijk zaten zij in Buchenwald, vervolgens werden zij overgebracht naar het interneringskamp Haaren en later naar Sint-Michielsgestel. In deze gesloten wereld vond Marinus opnieuw ruimte voor mannenliefde. Hij kreeg een innige verhouding met een zekere Gert van Eck en ook geruime tijd met de befaamde historicus Pieter Geyl. Zijn vrouw Anneke, met wie Marinus veel correspondeerde, was op de hoogte van deze mannenvriendschappen. Zij gaf hem de ruimte, stimuleerde hem zelfs, maar leed stilletjes onder zijn escapades. ‘Hun huwelijk werd vooral ingericht naar de smaak van Marinus,’ merkt Hooghiemstra droogjes op.
Op basis van tal van bronnen, egodocumenten en interviews met familieleden heeft Hooghiemstra een boeiend portret geschetst van twee broers die ieder op hun eigen wijze reageerden op hun traumatische jeugd en hun weg in het leven vonden – de een succesvoller dan de ander. Soms weidt ze naar mijn idee wat te veel uit over onderwerpen die er voor het betoog niet gedetailleerd toe doen. Toch heeft zij de hoofdlijn scherp getrokken, vooral in het geval van Willem. De interpretatie dat hij zich mede door zijn homoseksuele aard tot het nationaalsocialisme voelde aangetrokken, is binnen het verhaal plausibel, maar ontbeert vanzelfsprekend algemene geldigheid.
Aart Aarsbergen
Daniela Hooghiemstra – De rode en de zwarte jonker. De oorlog van Marinus en Willem van der Goes van Naters. Balans, Amsterdam. 334 blz. € 27,50.

