Vadermoord

I

In meerdere publicaties heb ik gememoreerd dat ik door Het behouden huis van Willem Frederik Hermans ooit (in 1962, ik was 17) de literatuur ben ingetrokken. Maar bij herlezing enkele jaren geleden werd ik door schrik en ongeloof bevangen, toen bleek dat deze novelle in stilistisch opzicht aan alle kanten rammelde. In mijn beschouwing ‘Het behouden huis revisited‘ heb ik van die teleurstellende ervaring verslag gedaan (opgenomen in het gedenkboek Hermans Honderd, pp. 66-75).

Wat betreft Hermans’ roman Nooit meer slapen (de titel brengt Shakespeares toneelstuk Macbeth, Act II, Scene 2 in herinnering: (Methought I heard a voice cry ‘sleep no more!’ etc.) overkwam mij gisteren in de studiezaal van de Haarlemse bibliotheek eenzelfde teleurstelling.
        Ooit eerder was ik vastgelopen in dit vermaarde boek met de ingenieuze, typisch Hermansiaanse plot, gebaseerd op mislukking en vergeefsheid. Mogelijk omdat de verschijning in 1966 mijn debuut, kort nadien, in de weg stond (de vermetelheid van een jonge aanstormende schrijver kent geen grenzen) mogelijk ook omdat na De tranen der acacia’s en De donkere kamer van Damokles geen nieuwe roman van Hermans mij meer in dezelfde mate kon boeien. Een parallelle beleving gold voor het werk van Gerard Kornelis van het Reve, na lezing van Op weg naar het einde en Nader tot U. Voor deze boeken gold kennelijk dat de auteurs hun troefkaarten al op tafel hadden gelegd en er geen slagen meer te behalen vielen. Hermans’ uitspraak dat hij feitelijk steeds hetzelfde boek schreef droeg ook niet bij aan verdere verkenning van zijn werk. Maar nadat Jan-Wim Derks, Hermanskenner bij uitstek en mede samensteller van Hermans Honderd, mij had bezworen dat ik over literatuur niet meer mocht meepraten als ik Nooit meer slapen niet had gelezen, zocht ik een vrije plek in mijn vertrouwde studiezaal en waagde ik een nieuwe poging, die andermaal jammerlijk mislukte. (Nadat ik pagina 33 had bereikt, de eerste zeven hoofdstukken van dit gedoodverfde meesterwerk, sloeg ik het boek dicht, verliet de zaal en kocht een fles Kopke port bij drankhandel Melgers in de Keizerstraat. (Voor een zakflacon Glen Talloch rekent men in deze zaak slechts € 5,90, maar wat whisky betreft heb ik mijn lesje wel geleerd.)

*

De beschrijving van de ontmoeting tussen Alfred Issendorf en professor Nummedal (met een knipoog naar het woord Niemendal) verloopt stroef en geforceerd. Scandinaviërs spreken vaak bijna accentloos Engels en dat professor Nummedal op pagina 7 de vraag stelt: ‘Where does you come from?’ is volstrekt uitgesloten.
        Professor Nummedal spreekt verder vloeiend Nederlands, zij het met soms raadselachtige uithalen, zoals in de volgende wending op pagina10: ‘Ik stel mij zo voor dat de geologen bij u elkaar op de tenen staan te trappen en menigmaal in de verleiding komen een afgetrapte teen voor de hoektand van een holenbeer te verslijten.’
        Een afgetrapte teen?
        De hoektand van een holenbeer?
        Dat zullen dan vermoedelijk wel heel lange tenen zijn geweest. Ik zal eens kijken in het Teylers Museum, daar staat het skelet van een holenbeer.

Maar Alfred zelf kan er ook wat van.
        ‘Hij houdt de lens zo dicht bij de kaart alsof hij naar een vlo zocht.’ Zocht moet zoekt zijn, of houdt moet hield worden.
        Of deze: ‘Ik had hem te voet moeten vallen, zodra ik zijn studeerkamer betrad.’ (te voet vallen? Ligt Oslo plotseling in België?). En: ‘Ik kijk door de rol als door een zeekijker.’ (Bedoeld wordt waarschijnlijk zo’n uitschuifbare éénoog, zoals bij piraten in gebruik.) ‘Moet mij bedwingen hem niet als roeper te gebruiken.’ (‘roeper’? Wat is een roeper?) Een megafoon wellicht, maar dan zonder elektrische aansturing?
        ‘Hij heeft mij onder de arm genomen en verder alleen nog over zijn eigen onderzoekingen opgesneden.’ (Onder de arm genomen? Als een tas, of een opgerolde luchtfoto?) Bij de arm genomen misschien?
        ‘De douche is een harde borstel van water. Ik blijf er lang onder staan, of ik zodoende deze hele nutteloze dag van mij afspoelen kon.’ Vanwege de tegenwoordige tijd ‘blijf’ moet ‘kon’ kan worden. Het houdt niet op.
        ‘Er staat een spreker voor de mikrofoon.’ (Alfred luistert naar de radio, daar gebruikt men inderdaad veelvuldig microfoons.)
        ‘Het duurde een half jaar voor ik enig geluid aan de grote dwarsfluit ontlokken kon.’ (Een half jaar? Onzin!) Op pagina 30 wordt met het woord nuit waarschijnlijk fluit bedoeld. (In de vijftiende druk, in deel 3 van de Verzamelde Werken, inderdaad verbeterd.)
        ‘Om vijf uur schuif ik de gordijnen open en neem opnieuw een bad.’ (Een bad? Pagina 31.) Is de douche van pagina 29 opeens in een bad veranderd?
        ‘Ik heb in de loop der jaren het kompas misschien wel tienmaal zo dikwijls uit zijn etui genomen (…)’ ‘zo dikwijls’ is overbodig en onhandig geformuleerd. Tienmaal is genoeg.
        ‘Zijn kin is stoppelig want ik moet mij nog scheren.’ Zijn kin slaat op een soldaat die Alfred middels de spiegel in zichzelf waarneemt en kan dus aan ‘ik’ gerefereerd worden, maar zijn kin is niet stoppelig omdat hij zich nog moet scheren, hij moet zich nog scheren omdat zijn kin stoppelig is, wat de auteur ook wel weet, maar Hermans wil hier grappig en studentikoos uit de hoek komen, wat hij beter kan nalaten.
        ‘De dingen die ik achter laten zal in Alta doe ik nu maar vast al in de koffer (…).’ Het is of ‘maar vast’ of ‘al’, maar niet allebei. Ik neem het boek op en laat de pagina’s onder mijn duim door waaieren, stop toevallig op p. 154 en lees: ‘Ik doe hetzelfde op hun voorbeeld.’ Jesus Christ!

Ik sla het boek dicht en verhef mij van mijn studieplek.
        Ik ben als schrijver geboren, maar als schoolmeester in de wieg gelegd, evenals mijn literaire vader Willem Frederik Hermans. Ik wil hem alsnog mijn collegiale hand aanbieden, maar dat gaat nu niet meer, want hij is in 1995 op reis gegaan: to that undiscovered country from whose bourn no traveller returns.

II

Bovenstaande kolom publiceerde ik, enige tijd geleden, in iets soberder vorm, op mijn digitale podium Tzum, waarbij ik de lezer hierbij met enige klem op het hart wil drukken dat de titel in ironische zin moet worden opgevat en dat Willem Frederik Hermans als auteur en mijn literaire vader geenszins van zijn voetstuk is gevallen.

Op dit stuk verschenen zowaar twee reacties, die mij echter niet complimenteerden met mijn observaties, maar mij integendeel inpeperden dat mijn formulering ‘ooit eerder’ een doublure inhield, aangezien beide woorden elkaar uitsloten, of althans hetzelfde betekenden, dus eigenlijk insloten. Dit viel niet gemakkelijk te ontkennen en ik heb de hoofdredacteur van Tzum, Coen Peppelenbos, daarop verzocht een van de twee woorden voor de goede vrede maar liever te schrappen, hetgeen geschiedde. Dat ‘ooit eerder’ minder slecht idioom is dan de twee bijgoochems wilden opeisen valt aan te tonen met een dergelijke verdubbeling als in: ‘echt waar’, zo ook in ‘eerst en vooral’ of de wens: ‘Van harte gefeliciteerd’, waarbij ‘Van harte’ en ‘gefeliciteerd’ hetzelfde betekenen. Dat van ‘harte gefeliciteerd’, ‘ooit eerder’ en ‘echt waar’ etc. tautologieën zijn zal best, maar modaliteit eist ook zijn recht. Let it be.

*

Ik baseerde mijn bevindingen op de eerste druk van deze roman uit 1966. Uitgeverij De Bezige Bij liet mij weten dat de 42ste druk in oktober 2025 is verschenen, met dank aan Rutger Wilmink, die aan Nooit meer slapen refereerde als een everseller.
        Nu stond Hermans erom bekend dat hij bij iedere herdruk wijzigingen en verbeteringen aanbracht. Bij Nooit meer slapen noemt hij bij de vijftiende druk een aantal van 250, hetgeen mij eerder als een zwaktebod treft dan als een toonbeeld van zorgvuldigheid.
        Op 17 juli 1978 schreef Hermans aan ene Judy van Emmerik: ‘Dezer dagen heb ik in een bui van perfectionisme Nooit meer slapen, een van mijn minder slordige boeken (hier had een komma moeten volgen LHW) weer eens doorgenomen en ik heb zo’n 250 verbeteringen aangebracht, die, hoop ik, nog eens in een volgende druk kunnen worden geperst’. (De punt moet voor het aanhalingsteken.)
        En bij het nawoord bij de herziene 15e druk: (…) Voor een romanschrijver is het nooit te laat alsnog een punt te vervangen door een vraagteken, een komma door een dubbele punt, het ene woord door het andere (…)

Interessant nu leek het mij om de eerste druk van Nooit meer slapen te vergelijken met de vijftiende druk, zoals gebruikt in deel 3 van de Verzamelde Werken en becommentarieerd door Peter Kegel, verbonden aan het Huygens Instituut en medewerker aan het tot stand brengen van de Verzamelde Werken van W.F. Hermans, in samenwerking met Uitgeverij De Bezige Bij. Deze speurtocht, in twee versies van Nooit meer slapen, zou een exercitie moeten zijn die mij als rode-potloodventer bij het Middelbaar Onderwijs (gedurende 30 jaar bij het Stedelijk Gymnasium te Haarlem) goed af zou moeten gaan, maar die ik toch met enige schroom, beter gezegd: bange verwachting, op mij nam.

II

En zo heb ik dan ten langen leste Nooit meer slapen integraal uitgelezen, tweemaal in feite, op zoek naar verbeterende wijzigingen, maar niet voorbijgaand aan inconsequenties, stilistische onvolkomenheden en aanvechtbare observaties. Bij dit alles moet men niet vergeten dat de lezer in dit boek te maken heeft met een door Hermans geïntroduceerde ‘onbetrouwbare verteller’, hier in de gedaante van de hoofdpersoon Alfred Issendorf. Heeft hij ooit echt een polshorloge van twee millimeter dun bezeten? Waarvan hij op een bepaald moment het glas verwijdert om de tijd op de tast aan de wijzers af te lezen?
        En wat wil deze onbetrouwbare verteller de lezer op de mouw spelden, als hij op p.101 beweert: ‘Hellingafwaarts bonkt het lichaam zich bij elke stap met een schok in elkaar. De veerkracht van de kraakbeenplaten tussen de wervels. De taaiheid van de pezen, niet voorstelbaar voor wie wel eens gezien heeft hoe betrekkelijk gemakkelijk zelfs een ijzerdraad kan breken. O wonder dier, o wonder mens!’ (met hier een knipoog naar Hamlet: What a Piece of Work is a Man) terwijl hij op p. 203 vaststelt: ‘Ik weet dat ik niets anders ben dan een bepaalde chemische evenwichtstoestand, strikt beperkt tot nauw omschreven, onomstotelijke limieten.’

Ik ga er vanuit dat de lezer van dit vertoog op de hoogte is van de inhoud van de roman en ik dus kan verwijzen naar passages en handelingen die als bekend verondersteld mogen worden, zoals de situatie waarbij Alfred in zijn lange visnet een jonge eend vangt, ‘het hoogstaande dier’ vervolgens de nek omdraait, ‘zoals men een klok opwindt’, het lichaampje plukt en opensnijdt, waarbij de ‘vuilgele, leverbruine en rode ingewanden naar buiten puilen’. Om het beestje vervolgens ongeschonden neer te zetten op een kussentje van mos, waar het hijgend stil blijft zitten. Dit soort flauwe foefjes, waarbij de onbetrouwbare verteller zich gnuivend blootgeeft, werken bij mij averechts, net als bij de soldaat Alfred die zich nodig moest scheren. En als het eendje ten slotte, door de wind voort geblazen, ‘als een scheepje weg zeilt’, vliegt er in mijn beleving een mus terug naar het dak van Hermans’ huis omdat hij hier zonder reden vanaf gevallen was.

De scène met het eendje is niet alleen gezocht, maar tevens misplaatst. Enerzijds botst het beeld van de ‘amateur poelier’, zoals Alfred zichzelf guitig kwalificeert, met de verbeten ernst van Alfreds heersende geestesgesteldheid en anderzijds zijn de observaties aangaande het gezichtsvermogen van het eendje domweg dwaas: ‘Hij heeft ogen waarmee alleen kan worden gezien, niet gekeken.’ Het eendje is niet blind, maar kan toch niet kijken. Willem Frederik Hermans in de bocht, amateur ornitholoog, die ooit in een riposte jegens Kees Fens volhield dat de vogelkop op het omslag van Mandarijnen op zwavelzuur de afbeelding was van ‘een ordinaire zeemeeuw’, terwijl het overduidelijk een adelaar betrof en latere onderzoekingen hebben aangetoond dat de kop van de roofvogel toebehoorde aan de tamme zeearend Aquila, die ooit het omslag van een nummer van het blad Life sierde. (Hermans spaarde die nummers van Life om uit het fotomateriaal collages te maken, waarvan het omslag van Mandarijnen er een is.) Dat iets slechts gezien kan worden als er naar gekeken wordt geldt voor dit eendje dus niet, hetgeen mij ertoe noopt een serie van 13 voorbeelden aan te halen waarin Hermans de werkwoorden kijken en zien verhaspelt, op pagina 96 zelfs tweemaal. Men gelooft zijn ogen niet, vooral niet als men ziet waarnaar men kijkt.

p. 69: Ik heb eens in de trein een Nederlander gezien die het Nederlandse wapen in zijn paspoort aan een Spanjaard liet kijken. (Verbeterd tot zien in deel 3 van de Verzamelde Werken.)
p. 83: Dat zijn vriendelijke mensen, zeg ik, ze hebben zich helemaal niet laten kijken, ze laten ons op hun veranda. (Niet verbeterd)
p. 96: Zo nu en dan maak ik een kleurenfoto, alleen voor het mooi. Kan ik aan mijn moeder en Eva laten kijken. (Niet verbeterd)
p. 96: Maar ik kan haar altijd de foto’s laten kijken en vertellen over mijn reis. (Niet verbeterd)
p. 125: Alleen een serie mooie kleurenfoto’s, aardig om in de familiekring te laten kijken. (Verbeterd)
p. 135: (…) zulke waardige baarddragers als Mozes, Sokrates of Marx, die hadden zeker reden hun gezicht maar liever niet meer te laten kijken. (Niet verbeterd)
p. 137: Ik heb de geest laten kijken dat ik sterker ben dan hij. (Niet verbeterd)
p. 146: De tastbare bewijzen mag je mee naar huis nemen, aan iedereen laten kijken. (Niet verbeterd)
p. 151: Dan moet je een puntbeschermer kopen, zegt hij en laat trouwhartig de puntbeschermer kijken die achter op zijn stompje zit. (Niet verbeterd)
p. 179: Ik zal haar laten kijken waartoe ik het breng met al mijn knapheid! (Niet verbeterd)
p. 203 (Over een poolvos) Hij loopt op een drafje, maar toch niet erg vlug, alsof hij geen zin heeft te laten kijken dat hij bang is. (Verbeterd tot: te laten blijken)
p. 213: (Ik zal) misschien wel met meteorieten terugkomen. Ik laat ze kijken aan Sibbelee. (Niet verbeterd)
p. 250: Ik laat kijken dat de twee knopen op elkaar passen. (Niet verbeterd)

[Zoals na deze opsomming mag blijken presenteerde ik mezelf eerder niet voor niets als ‘rode-potloodventer’, de beroepsdeformatie van de schoolmeester.]

Bij het niet slachten van het eendje is Alfreds conclusie: ‘Niets in de natuur is rood, behalve bloed en ingewanden.’ Tja, paprika’s zijn inderdaad soms geel, net als onrijpe tomaten. En wat te denken van het achterste van nogal wat apen, of een ondergaande zon op het Zandvoortse strand aan het eind van een zomerse dag. Bij lezing van deze onzinnige observatie drong het zinnetje: ‘Alfred, wat ben je toch eigenlijk een eigenwijze zeikerd!’ zich aan me op. Maar misschien presenteert Alfred zich zo nu en dan graag als een ‘onbetrouwbare verteller’, die zelf gewoon beter weet, zo ging mij later door het hoofd. En ik besloot mijn opwelling veiligheidshalve te schrappen.

Wat ik niet schrap is de elementaire stijlfout die Hermans maakt door Alfred Issendorf, het fictionele hoofdpersonage uit Nooit meer slapen, ook als commentator binnen zijn eigen verhaal, zijn eigen gedachtewereld op te voeren; tweemaal zelfs. Alfred richt zich daarbij rechtstreeks tot de lezer, een stilistische blunder die alleen Klaas Vaak mag begaan, als hij zich om hulp roepend uit de poppenkast tot het kinderrijke publiek richt, om aan de deegroller van Katrijn te ontkomen.
        P.156: ‘De bovenste laag van de bodem bestaat uit gele scherven van een schisteus gesteente.’ (‘De leek die niet weet wat dit is, moet het maar opzoeken of voor kennisgeving aannemen. Een van de oorzaken waardoor de meeste leesboeken altijd over dezelfde dingen handelen, is de bezorgdheid van de auteurs dat iedereen zal kunnen begrijpen waar het over gaat.’)
        Oh, Willem Frederik Hermans, de meeste leesboeken (?) handelen helemaal niet altijd over dezelfde dingen, wat zit u nu toch uit uw duim te zuigen? En de zogenaamde bezorgdheid van uw auteurs wordt veroorzaakt door hun vrees dat niet iedereen zal kunnen begrijpen waar het over gaat. Alles ernaast.
        P. 193: ‘Nu ik alleen ben, voel ik mij, als ik de waarheid zeggen mag, aanmerkelijk opgewekter.’ Pardon, Alfred, als ik de waarheid zeggen mag? Aan wie zou jij niet de waarheid mogen zeggen? Tot wie anders dan je lezers richt je je hier? Lezers die daar in het verre Finnmark helemaal niet bestaan! Had je dat tussenzinnetje weggelaten dan had je zonder deze onvergeeflijke stijlfout kunnen vervolgen zoals je in je innerlijke monoloog doet:
        ‘Het is alsof ik voortdurend onder toezicht heb gestaan. Het is alsof ik al die tijd misprijzende blikken op me heb voelen rusten, blikken van breinen die mijn ambitieuze plannen hebben geraden en ertegen waren. Er niet in geloofden. Het is of hun aanwezigheid mij verhinderd heeft mij volledig te concentreren op mijn doel: het vinden van meteoorkraters, het oprapen van meteorieten.’
        Maar waar zijn Qvigstad en Mikkelsen dan samen met Arne en jou anders naar op zoek, Alfred, dan naar meteoorkraters en het kunnen oprapen van meteorieten? Wat lopen die vier mannen daar in Finnmark dan eigenlijk te doen, behalve dat drie van hen jou zo kwaadaardig willen tegenwerken?

*

Bij thuiskomst verrast Alfreds moeder de teleurgestelde promovendus met twee manchetknopen vervaardigd van doorgezaagd hooggepolijst meteorietsteen, elke helft voorzien van een gouden steeltje. Als jong ventje wilde Alfred al graag een meteoriet vinden en zijn vader, een wetenschapper-bioloog had voor zijn zoon een klein meteorietsteentje gekocht, dat hij Alfred voor zijn zevende verjaardag echter niet had kunnen geven, aangezien hij tijdens een studiereis verongelukte en in een Zwitserse bergspleet verdween, evenals Alfreds kompas later in een rotsspleet in Finnmark. (Het lot van Alfreds vader gelijkschakelen met het lot van Alfreds kompas, vormt wel een zeer sterk en tragisch symbool voor Alfreds mislukte expeditie.)

*

Alfreds moeder kwam na het overlijden van haar echtgenoot (kort voordat hij tot professor zou worden benoemd) op het idee om van het steentje twee manchetknopen te laten fabriceren, als cadeau bij Alfreds toekomstige promotie als geoloog. Een onterechte keuze mijns inziens, mevrouw Issendorf. Waarom het zoveel jaren bewaren? Het verjaardagscadeau zou de jonge Alfred alleen maar des te meer motiveren om zijn vaders noodlottige dood ‘te wreken’ en later als wetenschapper in zijn voetsporen te treden en professor te worden (Jeroen Brouwers schreef mij ooit: ‘Lodewijk, bij jou is het ook nooit goed.’)

*

Dat Alfred met lege handen naar huis terugkeert viel bij Hermans te verwachten en dat er kort voor zijn vertrek een enorme knal hoorbaar is, mogelijk de inslag van een meteoriet, die Alfred, aan het eind van zijn wilskracht, niet meer gaat onderzoeken, vormt het trieste einde van zijn vergeefse queeste.
        Full of scorpions is zijn brein, net als bij Macbeth, daar is geen plaats meer voor slaap; nooit meer, naar het zich laat aankijken.

L.H. Wiener