Kniediep in het drijfzand

Kevin Amse ken ik uit de poetryslamscene. Er was een jaar dat hij, als Vlaming, zo’n beetje iedere voorronde in Nederland won waaraan hij meedeed, met steeds dezelfde twee gedichten. Ze hadden een stevig fundament van humor en woordspel. Soms leek hij gegijzeld door die twee stemmentrekkers: toen hij eens een veel grimmiger en poëtisch interessanter stuk voordroeg over iemands jeugd, bleven de handen van het publiek omlaag. Misschien besefte hij die avond dat hij op zoek moest gaan naar een ander publiek.

Een huis omringd, Amses debuutbundel, heeft een opmerkelijke titel. Menigeen zou ‘omringt’ spellen, ziet een huis als een afgesloten ruimte voor zichzelf. Uit ‘omringd’ spreekt meer beklemming: wie of wat ligt daar buiten op de loer? ‘De slaapkamer een veilig hol / waarin ik geen kant op kan’ schrijft Amse in een van zijn naamloze gedichten. Hierin zit die duale manier van kijken naar een huis vervat. Later leren we dat het huis in de jeugd van het lyrisch ik omringd werd door akkers. We weten dan al dat het geen prettige kindertijd was, waarin vooral vader de kinderen angst inboezemde. Het ik verlangde ernaar buiten het erf te treden, maar met het kruipen van de tijd is hij daar genuanceerder (of: gedesillusioneerder) over gaan denken:

In het huis omringd door akkers stelde ik me vaak voor
dat ik over afsluiting na afsluiting klom, en nog steeds kriebelt

de gedachte zoals je haren aan mijn neus. Nu ik echter jaren
op weet te tellen, begrijp ik wat er voorbij het gemaaide graan ligt:

een toneel achter gesloten deuren en meer hekken.

De bundel valt dan ook te lezen als een verwerkingspoging van het lyrisch ik met de onaangename thuissituatie in zijn jeugd. Hij is nu volwassen, heeft een (eveneens beschadigde) partner en samen hebben ze een kind; de angst dat hij een slechte vaderrol zal spelen maakt hem uiteindelijk geen betere vader. Echt een bundel van deze tijd kun je het noemen: de letteren worden overspoeld met jeugdtrauma’s die een heel leven zouden doorwerken. Amse houdt zich niet in op dat gebied, verre van, en laat soms doorschemeren dat hij zich dat maar al te goed realiseert: ‘Ongetwijfeld zal ik / iedere misstap rechtvaardigen; iets over hoe ik telkens aan mijn opvoeding / blijf haken en hoe moeilijk het is mezelf te ontworstelen als ik kniediep / in het drijfzand van mijn afkomst sta’.

Deze zelfreflectie is zeer welkom, is de originele invalshoek die enige compensatie biedt voor het erg conventioneel verlopende ‘verhaal’ van de bundel. Amse heeft ervoor gekozen de tijd chronologisch te laten verlopen: man is kind, kind wordt ouder, kind wordt man, man krijgt relatie, man wordt vader, zijn vader overlijdt en hij overdenkt zijn eigen kindertijd. Er is maar weinig moeite nodig om een biografie of een roman van deze bundel te maken en daarmee is er te veel op een welbekende narratieve structuur geleund, terwijl poëzie juist mogelijkheden biedt om daaraan te ontsnappen of die te bevragen.

Een poëticaal aspect waar Amse zeker wel gebruik van maakt is beeldspraak. De vergelijking is het meest gebruikte stijlfiguur, de ‘alsjes’ vliegen je om de oren. Weinig dingen zijn werkelijk als andere dingen, dus soms zijn Amses vervangende beelden minder sterk dan de originele uitdrukkingen of kon ik ze niet volgen: ‘de dagen komen als vliegtuigen op haar af’ bijvoorbeeld, brengt bij mij niet de gevoelens teweeg die zo herkenbaar zijn bij het lezen van een in elkaar vallend beeld. Dan liever wat minder vergelijkingen en het laten bij sterke zoals ‘Hoe het altijd uitkomt, de leugen als een kuiken door de schaal tikt’; het vuile van de leugen, het onschuldige van de manier waarop ze vaak worden geopenbaard, of hoe er een onschuldige waarheid achter schuilgaat.

Wederom een beeld met dreiging ook. Het ik heeft het van de buitenkant gezien voor elkaar, maar hij lijkt te wachten tot zijn wereld weer instort en de vorm van vroeger aanneemt. Als je dat uiteindelijk verwacht, waarom dan toch die grote schoenen aantrekken, had je dan niet beter in het dorpje (stad volgens de achterflaptekst) van je vader kunnen blijven of teruggetrokken ergens op het weiland omringd door akkers? Nee, is het antwoord, want het ik vreest één ding nog meer dan het instorten van zijn opgebouwde wereld:

Maar dit is het lot dat ik gekozen heb: ook teruggetrokken thuis

komt de wereld achter me aan, liggen de rekeningen me als sluipschutters
op te wachten , worden dromen aan flarden geschoten. Ik zal er vrede
mee moeten nemen, mezelf ingraven en wachten tot het overgaat, leidt
tot een zekere dood. Dat vrees ik het meest: onopgemerkt blijven tot het einde.

Zo keert Frits van Egters toch altijd weer in allerlei hoedanigheden terug. Mocht Amse dezelfde gevoelens hebben als zijn lyrisch ik, dan heeft hij met Een huis omringd de manier aangegrepen om die vergetelheid te voorkomen, net als velen voor hem: schrijven. Zijn lyrisch ik heeft ervoor gekozen relaties aan te gaan met anderen. Als dat ik echt een onuitwisbare indruk wil achterlaten, bekroop me de gedachte na het lezen van deze bundel, zou hij zich juist wel als een schoft moeten gedragen naar zijn partner en kind. Een beetje onopgemerkt blijven is misschien zo slecht nog niet.

Martijn van Bruggen

Kevin Amse – Een huis omringd. Poëziecentrum, Gent. 72 blz. € 23,00.

(Screenshot uit deze trailer van de boek- en cabaretvoorstelling van Een huis omringd)