Recensie: Federico García Lorca – In de scheur van de nacht
Dat is de wereld, mijn vriend
In de scheur van de nacht is de titel van de bloemlezing die Bart Vonck samenstelde uit de door hemzelf vertaalde Verzamelde gedichten (2009) van de Spaanse dichter Federico García Lorca (1898–1936). Vonck is lyrisch over diens werk. Een zin uit zijn inleiding: ‘Als de nacht scheurt, als het donker door pijn wordt opengebroken, stroomt het bloedrode licht van de dageraad over de bladzijde, wordt het gedicht in het hoofd en het hart van de lezer een gebeuren.’
Lorca was een modernist, die poëtische tradities gebruikte om geheel nieuwe poëzie te schrijven. Hij baseerde zich in zijn eerste bundels op Andalusische volkspoëzie. Met name het (Eerste) zigeunerliedboek (1924-1927), bedoeld om voor te lezen, was zeer populair. Het zijn romantische gedichten over liefde, dood en eergevoel. Om een idee te geven van de bundel een paar titels: ‘De ontrouwe echtgenote’, ‘Romance van de zwarte smart’, ‘Romance van de Spaanse Guardia Civil’. Als je het begin hoort van ‘Sint Gabriël, Sevilla’ wil je luisteren tot het eind. Gerard Reve zou ontroerd zijn geweest:
Een mooie jongeling, rank als riet,
brede schouders, slanke taille,
huid van nachtelijke appel,
droeve mond en grote ogen,
gepeesd als hitsig zilver,
doolt door de verlaten straat.
In Gedicht van de Cante Jondo (geschreven rond 1921, maar pas uitgegeven in 1931), dat in tegenstelling van wat je op grond van de titel zou verwachten uit een groot aantal gedichten bestaat, is de Andalusische cante het uitgangspunt, een smartelijke flamenco over vruchteloos verlangen, verlatenheid, rouw, wanhoop en dood. Lorca gaat vrij om met versvorm en stijlmiddelen, maar de sfeer en thematiek handhaaft hij. ‘De gitaar’ begint met de regels ‘De klaagzang van de gitaar / vangt aan.’ Vervolgens personifieert hij het instrument en gebruikt daarbij opvallende metaforen:
Hij huilt pijl zonder doel,
avond zonder ochtend,
en de eerste vogel dood
op de tak.
O gitaar!
Hart door vijf zwaarden
zwaar gewond.
Vijf zwaarden: vijf vingers die de snaren pijnigen. Mooi. En het gewonde hart spreekt voor zich.
Lorca gebruikt veel metaforen, die bovendien vaak meerduidig en ingewikkeld zijn. Dat geldt met name voor Dichter in New York (postuum gepubliceerd in 1940), mijns inziens zijn beste bundel. Hij beschrijft daarin het keiharde kapitalisme, het racisme en de vervreemding die hij ervoer in de acht maanden dat hij daar verbleef (1929-1930). Die andere, fascinerende wereld leidde tot belangrijke vernieuwingen in zijn poëzie, waaronder het gebruik van surrealistische beelden die je wel aanvoelt, maar niet echt kunt duiden. Een voorbeeld:
Moord
Twee stemmen bij dageraad op Riverside DriveHoe gebeurde het?
Een scheur in de wang.
Dat is alles!
Een vingernagel die een stengel omklemt.
Een speld die duikt
tot hij de worteltjes van de kreet vindt.
En de zee beweegt niet meer.
Hoe? Hoe gebeurde het?
Zo.
Echt! Op die wijze?
Ja.
Het hart ging er alleen vandoor.
Ay, wee mij!
Dood en geweld vormen een leidmotief in Lorca’s werk en zijn reacties daarop kunnen heftig zijn:

Deze strofe staat in het gedicht ‘Ode aan Walt Whitman’, ook uit de bundel Dichter in New York. Het gaat over Whitman en de goddelijke natuur tegenover de verdorvenheid van het gewelddadige, geïndustrialiseerde New York. Opvallend is de afkeer die de verteller heeft van (wat hij noemt) de nichten, ‘in groepjes aan de bar, / in trosjes uit riolen opduikend, / bevend tussen de benen van de chauffeurs / of tollend op de platjes van de absint’. Hij, zelf homoseksueel, voelde zich aangetrokken tot de zuivere ‘mannelijke Man, / man alleen op zee, oude en mooie Walt Whitman’.
Vonck heeft de vertaling van de gedichten die hij selecteerde ongewijzigd uit de Verzamelde gedichten overgenomen. Jammer, want af en toe zijn die wat stroef en ook weleens bevreemdend, zoals de volgende regels uit het gedicht ‘Fabel en rad van de drie vrienden’: ‘Ik heb ze huilend te gronde zien gaan / in een kippenei’. Het gaat hier om een reden; ‘om’ was daarom beter geweest – en begrijpelijker*.
Sommige critici vielen over het gebrek aan ritme en klankrijdom in de vertalingen. Begrijpelijk, want Lorca vond dat ieder gedicht zowel oraal als geschreven tot zijn recht moest komen. Maar dit ‘gebrek’ kwam niet voort uit een tekort aan vertaalvaardigheden, maar een bewuste keuze van Bert Vonck. Hij vertaalde zo letterlijk mogelijk om de betekenissen, nuances en meerduidigheid van de metaforen niet verloren te laten gaan. Bij een ritmische, goed in het gehoor liggende vertaling zou dat wel het geval zijn geweest: die is noodzakelijk vrijer. Een tweetalige uitgave had mogelijk uitkomst kunnen bieden. Al spreek je geen Spaans, je weet wel hoe het klinkt; ook had je dan kunnen zien welke versmiddelen hij had gebruikt. Op zo’n manier haal je het beste uit beide methoden.
In 1936, aan het begin van de Spaanse burgeroorlog, werd García Lorca vermoord. Door fascisten uiteraard. Zijn lichaam werd nooit teruggevonden. Maar zolang we hem lezen, leeft hij.
*Dit is een voorbeeld uit het interessante artikel ‘De definitieve vertaling? Over Federico García Lorca’s Verzamelde gedichten’ van Stella Linn. Het verscheen in 2011 in het tijdschrift Filter. Tijdschrift over vertalen en is opgenomen in DBNL.
Hans Puper
Federico García Lorca – In de scheur van de nacht. Zijn mooiste gedichten. Vertaald, geannoteerd en samengesteld door Bart Vonck. Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam. 322 blz. € 29,99.
