Poëzie in de supermarkt 

Sinds het begrip ‘grachtengordel’ vooral dienst doet als scheldwoord voor de culturele elite in de hoofdstad, pronken de Amsterdammers opvallend minder met het historisch erfgoed van hun woonplaats. Toch is dat exact wat gebeurt in Blauw Goud, de bloemlezing waarin een honderdtal dichters haar liefde bezingt voor de stad aan de Amstel. Het gevolg is een sterk staaltje georkestreerde city marketing waarbij de viering van vierhonderd jaar grachtengordel centraal staat. Een nuchter, ingetogen woord lijkt bij momenten ver te zoeken, maar gelukkig brengen enkele dichters redding.

Op het titelblad van Blauw Goud staat vermeld dat de bundel mede mogelijk gemaakt werd door de Gemeente Amsterdam en ‘I amsterdam’: de goede verstaander weet meteen dat hij geen uitdagende, kritische poëzie hoeft te verwachten. Blauw Goud brengt in de eerste plaats een ode aan de stad, haar grachten en haar oude pakhuizen, en richt zich zodoende op een breed publiek. Door het stadskaartje achterin de bundel met daarop een aanduiding van de plaatsen waarover sommige gedichten gaan, oogt het boekje zelfs wat als een toeristische brochure. De ideale gelegenheid dus om poëzie buiten de grenzen van de literaire wereld bekendheid te verlenen. Pijnlijk is dan ook het op de achterflap als ‘bijzonder’ aangekondigde voorwoord van Remco Campert, dat geen enkele toegevoegde waarde levert aan de inhoud. Het amper één bladzijde beslaand stukje tekst doet eerder onverschilligheid dan enthousiasme vermoeden, en meer dan de lezer veel plezier toewensen doet Campert uiteindelijk niet. Dat één van Nederlands meest gevierde dichters zich laat gebruiken als schaamlapje voor wat stadsreclame, is op z’n zachtst gezegd teleurstellend te noemen. Neen, dit schamele voorwoord, noch het overdreven lyrische nawoord van Marc Hameleers, is niet het sterkste kenmerk van Blauw Goud. Om de geforceerde toon van de lofzang op de Amsterdamse grachten te ontvluchten, is een duik in de poëzie noodzakelijk.

Een sterk punt van samenstellers Patrick Roubroeks en Thomas Möhlmann is dat ze erin geslaagd zijn in de bundel een gevarieerd beeld te schetsen van de Nederlandse poëziewereld. De meerderheid van de dichters in Blauw Goud is weliswaar bekroond met literaire prijzen, toch komen verschillende generaties en stijlen in het werk aan bod. De bundel oogt daardoor gefragmenteerd, maar dat is bij een bloemlezing niet meer dan normaal.

Clichés komen helaas te vaak in het werk voor. Een bloemlezing over de grachtengordel loopt uiteraard over van de verwijzingen naar kabbelend water en herenhuizen, maar juist daarom mogen de dichters uitvoeriger op zoek gaan naar geschikte metaforen. Hanneke van Eijken begint haar gedicht ‘Stad op palen’ bijvoorbeeld als volgt:

Het water was er altijd al, reisde

eeuwen onder huizen door

het ligt nu in armen

die krommen om een stad

grachten, vol blauw

goud wachtend op peper, huiden en hout

Dit taalgebruik kun je ‘elementair’ of ‘helder’ noemen, maar in de context van deze bundel getuigt het vooral van een gebrek aan originaliteit. Van doordachte poëzie, die juist de banaliteit van een taalhandeling wenst te overstijgen, mag je meer verwachten.

Het meest geslaagd in hun lofzang op de stad zijn de dichters die de prentkaartachtige beschrijving van de grachten achterwege laten. Bij hen doen de grachten slechts dienst als decor voor een vertelling waarin zij zich op het eigen dichtersjargon kunnen uitleven. Edwin Fagel, Eva Gerlach en Jean Pierre Rawie behoren tot die groep, en natuurlijk de onvermijdelijke Menno Wigman. In ‘Narcisten!’ wijst de laatste met zijn perfect citeerbare, gecomponeerde verzen de Amsterdammers op hun hoogmoedig gedrag. Hij schrijft:

Een bijrol zijn we, ijdel, lang van stof,

en in een bijzin zullen we verdrinken.

Voor een hoogtepunt in de bundel zorgt ook Anneke Brassinga. In ‘De verliefde’ gebruikt zij het stadsbeeld als achtergrond om een oplaaiende hartstocht te beschrijven. Zelfs in de weergave van deze oerstedelijke omgeving slaagt zij erin het voor haar poëzie gebruikelijke natuurelement te laten overheersen. Die thematiek verwerkt zij in haar gedicht met één lange, uitgesponnen zin:

Zuilengang palmengracht, een hemelrif wolkenkust

zich strekkende naar verre nadering van schemerzee

wier paarlemoer ik tintte met mijn vuren gloed nu

uitspansel ik en openbaring was, immense leegte

waar in waterspiegelblinken trillend zomerlover

werd geweven, hoog daarover zwaluwlijnen ijlden

door warme bries van aarde’s ademhaling – nu licht

verzonken raken ging in duisterheden en ik

begreep: dit wachten alleen is je komst geweest.

Door de hele bundel heen zijn hoogtepunten als deze echter te schaars. Zo zijn de beelden van eenzame zielen die op een brug over de grachten staan te mijmeren te talrijk, en is er maar af en toe een gedicht dat werkelijk beklijft. De bekendste dichters van Nederland plaatsen zich met Blauw Goud in de etalage, maar het strakke keurslijf van het opgelegde thema zit niet iedereen als gegoten. Een gemiste kans.

Charles Derre

Blauw Goud, de Amsterdamse grachten in gedichten. Samenstelling: Patrick Roubroeks en Thomas Möhlmann, Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 144 blz. € 16,95.

//

Reacties