De taal van de liefde

‘Klare, wat heeft er uw hartje verlept,’ is de beginregel van een gedicht van P.C. Hooft. Lang voordat ik dat wist, kende ik die regel al uit een roman, eigenlijk meer een meisjesboek, waarin de vader, een hoofdonderwijzer en maniakaal citatenverzamelaar, dat tegen zijn dochter zegt: ‘Paula, wat heeft er uw hartje verlept,’. Niet nodig hier te vermelden dat ik ook wel zo’n maniak als vader wilde en bij gebrek daaraan het boek met zijn stroom citaten vele malen heb ‘verslonden’.

Op 19 oktober 1637 stuurt Hooft collega-dichter Constantijn Huygens een gedicht door van de dichteres Maria Tesselschade Roemer Visscher. Het is een troostsonnet geschreven bij de dood van Huygens’ vrouw Susanna van Baerle, maar – ingewikkeld – gericht aan Hooft. Daarin staat ook de volgende regel:

En stel’ zijn leed te boek, zo heeft hij ’t niet t’onthouwen. (‘heeft’ is ‘hoeft’)

We snappen meteen waarom Huygens deze regel nog aanhaalt als hij vijfentachtig is: hoe kun je iets wat eigenlijk nogal een cliché is zo verrassend formuleren. Huygens blijft in 1637 met vier zoontjes en een pasgeboren dochtertje achter, Tesselschade heeft al eerder haar man en dochtertje verloren.

De grote gevoelens verwoorden in poëzie, het vorm geven aan je verdriet in taal was natuurlijk niet voor iedereen weggelegd, maar als remedie, als ik het zo mag noemen, was het beproefd in het zeventiende-eeuwse intellectuele milieu.

Het was de tijd van de rederijkerskamers. Je kwam er bij elkaar en schreef poëzie vol ingewikkelde versvormen en rijmschema’s, altijd bedoeld om je lezer, je publiek een boodschap, een wijze les mee te geven. Bepaald geen ‘kunst om de kunst’ dus. Dat je gezwoeg hoegenaamd geen goede tekst, maar eerder een saai, ongeïnspireerde knutselwerkje voortbracht, deerde niet. Je droeg maandelijks je laatst gemaakte gedicht voor, kreeg er ongetwijfeld de nodige feedback op terug.

Ook al stonden ze zeker open voor de nieuwe, uit Italië en Frankrijk afkomstige dichtvormen, de rederijkers zijn er in de Nederlandse literatuurgeschiedenis zeer slecht vanaf gekomen. De invloed van de beroemde Italiaanse dichter Francesco Petrarca (1304-1374) heeft daar niets aan kunnen veranderen.

Een gedicht is een ding, een met zeggingskracht volgestopt bouwwerkje van woorden. De rederijkers zullen dat nooit zo modern gezegd, laat staan gevonden hebben. Het laat onverlet dat daar, in die van taal vervulde omgeving, grote talenten konden opbloeien.

De dichter P.C Hooft (1581-1647), drost van Muiden en ambitieus lid van de Eglentier, de Amsterdamse kamer, was zo’n talent. Hij was na zijn middelbare school afgereisd naar Italië, niet alleen vanwege de zakenrelaties van zijn vader die in de handel zat, maar ook vanwege de moderne kunst en cultuur daar. Hij maakte er kennis met het sonnet en met de klassieke literatuur. Pieter Corneliszoon bleek bijzonder geïnteresseerd. Toen hij na drie jaar weer thuis was, gaf hij in de Eglentier graag staaltjes van zijn poëtisch kunnen weg.

In een van die moderne sonnetten stelde hij net als Maria Tesselschade later deed, zijn (minnaars)leed te boek in wat misschien wel zijn beroemdste sonnet zou worden.

Gezwinde Grijsaard die op wakk’re wieken staag
de dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken
altijd vaart voor de wind en ieder na laat kijken,
doodvijand van de rust, die woelt bij nacht, bij daag;
        onachterhaalb’re Tijd, wiens heten honger graag
verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken,
en keert en wendt en stort staten en koninkrijken,
Voor iedereen te snel, hoe valt gij mij zo traag?

De subjectiviteit van de tijdsbeleving in schitterende metaforen vorm gegeven. Ik stel me er de Vliegende Hollander bij voor, het spookschip, gedoemd altijd maar door te varen, nooit af te meren in welke haven dan ook. Aan het eind van het octaaf lezen we waar Hooft naartoe wil, met een regel die extra reliëf krijgt door de weidsheid van het ervoor opgeroepen beeld. In het terzet vervolgt de dichter:

Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijf ik met mishagen
de schoorvoetige tijd, en tob de lange dagen
met arbeid avondwaarts. Uw afzijn valt te bang
        en mijn verlangen kan de Tijdgod niet bewegen,
maar ’t schijnt verlangen daar zijn naam af heeft gekregen,
dat ik den tijd die ik verkorten wil, verlang.

Het is een ontroerende confrontatie met tijd en gemis waaraan Hooft speciaal vorm geeft door het adembenemende woordspel in de laatste twee regels. Zo blaas je en passant ook alle clichés op. Bovendien, door het persoonlijke zo slim te verhullen, springt het juist in het oog. Het gedicht is opgedragen aan Mithra Granida, zijn latere vrouw Christina van Erp. Het is gedateerd 17 februari 1610. Ze trouwden in augustus van dat jaar. Hooft had in acht maanden tijd veertien gedichten voor Christina geschreven.

Vorig jaar zijn De gedichten verschenen, verzorgd door Johan Koppenol en Ton van Strien. Zij schreven een bevlogen verantwoording waarin ze overtuigend aantonen waarom de ‘lichtheid’ van de poëzie van Hooft (mijn woorden-jl), toch zo’n ‘zware’ uitgave rechtvaardigt. De annotatie bij de gedichten is zeer verhelderend en kan tegenwoordig niet uitgebreid genoeg zijn. De spelling en interpunctie zijn aangepast waardoor de teksten stukken toegankelijker zijn geworden en een verademing voor de dappere die zich aan de beslist niet altijd eenvoudige poëzie van Hooft waagt. Daarnaast worden de gedichten verlucht door prenten, portretten handschriften en muzieknotaties. Tot mijn grote genoegen zag ik alle Emblemata amatoria terug.

Veel van zijn gedichten heeft Hooft geschreven bij bestaande melodieën, er werd in de zeventiende eeuw veel gezongen en gemusiceerd. Hooft was een wereldse, charmante door schrijvende, artistieke en geleerde vrouwen omgeven man. We kennen Brechtje, Anna, Ida, Anna, Tesselschade, Christina, Eleonora en Susanna. Als hij zijn vrienden ontving op het Muiderslot zaten daar ook de vriendinnen bij. Het thema van de teksten was meestal de liefde. En wie zou niet verliefd worden op een dichter die je een lied toestuurt dat begint met:

Amaril, de deken zacht
van de nacht,
met zijn blauwe wolkenbuien,
maakt de starren sluimerblind
en de wind
zoekt de maan in slaap te suien (= zingen)

Het gedicht is opgedragen aan Ida Quekels, een geheime geliefde. De titel ‘Bella ninfa fugitiva…’ staat boven de melodie en is de beginregel van het slotkoor van de opera Dafne van Jacopo Corsi (1600). De muzieknotatie zelf is uit Valerius’ Gedenck-clanck (1626). Natascha Veldhorst heeft de muzikale redactie van de gedichten voor haar rekening genomen. Zij heeft de melodieën bij een groot aantal gedichten gezocht, een verantwoording geschreven en van het geheel is een mooie cd verschenen. Zij is zeer grondig te werk gegaan. Hoe ‘licht’ de poëzie van Hooft eigenlijk was, daarvan krijgen we ook door haar onderzoek een goed idee.

Hoe schrijf je liefde? Hooft is een dichter die een perfecte balans wist te vinden tussen het allerpersoonlijkste en de virtuoze verwoording daarvan in het gedicht. Dat maakt, wat je zijn ‘stijl’ kunt noemen tegelijk dichtbij en afstandelijk (ondanks dat het in zijn vele liefdesliederen, -liedjes en -sonnetten wemelt van erudiete verwijzingen naar schrijvers uit de klassieke oudheid -de bezorgers vermelden keurig dat Vergilius de grootste Romeinse dichter was en Cicero de beroemdste prozaschrijver).

Ik zou alle liefdesdichters en -dichteressen, waarvan we er in ons land tienduizenden schijnen te hebben, willen adviseren vooral eens bij P.C. Hooft te rade te gaan als het gaat om te oefenen in de taal van de liefde.

Jane Leusink

P.C. Hooft – De gedichten. Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 816 blz. € 45,-.

0