Zesendertigste hoofdstuk

Hoe Hieronimus nachtwachter werd in Schildburg, en hoe zijn moeders droom en de voorspelling van mevrouw Oeralindijne in vervulling gingen.

168

  1. Nu hadde men juist in de afgelopen dagen

    Schildburgs nachtwachter te grave gedragen,

    En zijn post stond onderhand

    Onbezet, leeg en vacant.

  2. Daar echter op beid hemisferen

    Men geen nachtwachter kan ontberen,

    Gingen de burgers in beraad

    En op zoek naar een kandidaat.

  3. Nu waren er zeker wel individuwen

    Die deze bezigheid niet zouden schuwen,

    Maar wegens zijn sterke stemgeluid

    Kwam men bij Hieronimus uit,

  4. Al uitte men her der wel bezwaren,

    En vond men dat er beletselen waren

    En wist men te vertellen dat

    Hij daar geen handigheid in had.

  5. Beweerd werd, om hem zwart te maken,

    Dat hij liever zou slapen dan waken,

    Zodat men niet de garantie had

    Van een veilig bewaakte stad.

  6. Maar dat mocht de geestdrift niet remmen

    En zo werd met meerheid van stemmen,

    En absoluut reglementair

    Hieronimus stadswachter.

  7. Wel moest hij beloven eerst de weduwe

    Van de vorige wachter te huwen,

    Want die brave, gestorven vriend

    Had het stadje trouw gediend

  8. En om diens bewezen trouw te vergelden

    Aan zijn rouwende weduwe, stelden

    De burgers zijn opvolger deze con-

    ditie als een sine qua non.

  9. Maar daar zij met haar pas dertig jaren

    Een knap gezichtje kon noemen het hare,

    Ging Hieronimus graag akkoord

    En gaf haar ter plekke het jawoord.

  10. Van nu af aan kregen ouden en jongen

    Des nachts de uren weer voorgezongen,

    Want Hieronimus deed wat hij moest:

    Zette zijn blaashoorn aan en bloest.

  11. En zo vaak als de klokken sloegen

    Riep hij met het allergrootste genoegen:

    ‘Burgers dezer stad, slaap stil

    En hoor wat ik u verkondigen wil!

  12. Hoor, de kerkklok heeft zo-even

    Elf, twaalf, een, twee, drie slagen gegeven,

    Dus wees wijs en geef vannacht

    Op vuur, licht en dochters acht,

  13. Dat geen brand kan in- of uitslaan

    Of andere schades kunnen ontstaan,

    Slaap gerust en wees behoed,

    Hoetoetoetoetoedoet goed.’

  14. Overigens deed hij bij dag en bij nachte

    Wat je van een nachtwachter mag verwachten,

    Want overdag sliep hij lang en vast

    En werd ’s nachts niet door slaap verrast.

  15. Zolang hij als stentor daar rond is gelopen

    Had geen boef in Schildburg meer iets te hopen,

    Want hij beschouwde het als zijn taak

    Dat er geen diefstal plaatsvond of braak.

  16. De burger, hoe diep ook in slaap gezonken,

    Ontwaakte zodra zijn roep had weerklonken,

    Want dat hals- en hoorngeschal

    Hoorde je in het stadje overal.

  17. Nu pas vermocht mevrouw Jobs uit te leggen,

    Wat haar die droom van destijds wilde zeggen:

    Want alles wat hoofdstuk twee vermeldt,

    Vond plaats precies zoals voorspeld.

  18. Ook wat destijds Oeralindijne profeteerde,

    Bleek uiteindelijk niet het verkeerde,

    Want de door haar gedane voorspelling

    Ging nu letterlijk in vervulling.

  19. Men kon na de gegeven gang van zaken

    Van alles pas nu chocolade maken,

    Want zoals steeds in waarzeggersland,

    Blijkt de bedoeling pas naderhand.

  20. Maar wat juffrouw Snater destijds gesteld had

    En bij Jobs geboorte zijn moeder voorspeld had

    (Zoals besproken in hoofdstuk drie),

    Dâ gebeurde allegaar nie’.

  21. In het licht van de ons bekende feiten

    Valt mevrouw Snater dan ook te verwijten

    Dat zij op fysiognomisch gebied

    Duidelijk tekort heeft geschiet.