Plopatou

‘Het stadje was te klein om voor meer dan de helft door gekken te worden bewoond, zoals de grote steden, maar toch te groot dat iemand Poux Partout voor de enige dorpsidioot zou houden.’ In Onder professoren kwam de excentrieke figuur Plopatou voor onder de naam Poux Partout. Toen Willem Frederik Hermans de roman waarin hij afrekende met het academische milieu in Groningen in 1975 schreef, was Plopatou nog een bezienswaardigheid, omdat hij zich zwaar opmaakte en lange gewaden droeg. ‘Onze grote tovenaar,’ schrijft Hermans. De afgelopen week overleden Plopatou begon als kunstenaar en dichter. Hij trad nog samen op met Rutger Kopland, Riekus Waskowsky en de Groninger dichtheld Kees van der Hoef. Hij werd ook lijstaanvoerder voor Sex en oproer, een partij die bij de gemeenteraadsverkiezingen begin jaren zeventig toch nog 474 stemmen wist te bemachtigen, niet genoeg voor een zetel. Plopatou komt zelfs voor in een alternatieve blootfilm *, die ook al in Onder professoren beschreven wordt.

‘Zonder Poux Partout zou deze stad niet volledig zijn,’ zegt een van de personages bij Hermans met enige vertedering. En die stad is de studentenstad Groningen waar een aparte levensstijl met graagte gedoogd werd. Uit een interview met Plopatou in de jaren zeventig blijkt er in die tijd nog een cultuurverschil te zitten tussen de twee noordelijkste hoofdsteden: ‘Hier in Groningen doen de mensen nooit zo vreemd tegen me, maar in Leeuwarden zijn ze agressief, die zijn daar nog helemaal niks gewend.’

Van een flamboyante, provo-achtige figuur veranderde Plopatou langzamerhand in een keurig in het pak zittend heertje met geverfde haren, door Groningen scharrelend met plastic tas en paraplu. Hij bekwaamde zich als querulant in het schrijven van een lawine aan ingezonden brieven naar de krant, klachtenbrieven naar instanties en scheldkanonnades aan mensen met wie hij onenigheid had. Hij schoof op naar het uiterst rechtse politieke spectrum, sloot zich aan bij de LPF en maakte ook binnen die partij ruzie met iedereen. Van een kleurrijke stadjer werd hij een wandelende karikatuur.

Toen Doeke Sijens en ik in 2003 onze gay-soap Tavenier schreven, hadden we nog zo’n lokaal bekend mannetje nodig en wij herdoopten Plopatou tot Pompidou. Hij kreeg in drie delen een prominente rol, al was hij binnen onze boeken gereduceerd tot een meelijwekkende conservatieve heer die het verval der zeden in de stad tegenging. Elke keer als ik hem tegenkwam in de stad was ik bang dat ik een slag met zijn paraplu zou krijgen. Gelukkig is dat nooit gebeurd. Het is nooit goed om bang te worden voor het personage dat je zelf gecreëerd hebt.

Coen Peppelenbos

* Het betreft de film Bekijk het maar, gemaakt door Buddy Hermans in de jaren 1970-1972. De film is nog vertoond op de Grote Markt, laat de regisseur per mail weten. De foto is ook van Buddy Hermans.

Deze column stond eerder in een iets kortere versie in Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden op 2 september 2017.

0