Naar een linkse politiek

De Franse auteur Édouard Louis (1992) en de Britse filmmaker Ken Loach (1936) maken beide politiek uitgesproken werken. Al sinds zijn debuutroman Weg met Eddy Bellegueule (2014) beschrijft Louis op zeer gelaagde wijze het Noord-Franse arbeidersmilieu waaruit hij afkomstig is, met misschien wel als hoogtepunt de aanklacht in Ze hebben mijn vader vermoord (2018) waarin hij de politieke elites persoonlijk verantwoordelijk stelt voor het gebroken lichaam van zijn vader. Loach behandelt in zijn sociaal-realistische films thema’s als armoede, dakloosheid en uitbuiting, met als recente voorbeelden I, Daniel Blake (2016) en Sorry We Missed You (2019) waarin de precaire arbeids- en levenssituatie aan de onderkant van de samenleving wordt geadresseerd. Eind december 2019 voerden beiden een gesprek met elkaar in het programma Studio B, Unscripted van Al Jazeera, waarin zij onderwerpen zoals de sociaal-politieke toestand onder het neoliberalisme, hedendaagse arbeidsomstandigheden, de toekomst van linkse politiek en de (politieke) rol die kunst zou kunnen spelen aansneden. Onder de titel Dialoog over kunst en politiek verschijnt dit gesprek nu in boekvorm.

In het eerste deel van het gesprek, dat als titel ‘Werk en geweld’ heeft meegekregen, spreken Louis en Loach over de omstandigheden op de hedendaagse arbeidsmarkt, waar mensen in precaire situaties worden gedwongen slechtbetaalde baantjes met even slechte arbeidsomstandigheden aan te nemen. Wie aanspraak moet maken op sociale voorzieningen krijgt te maken met wat we volgens Louis moeten begrijpen als vervolging: zo iemand zal door de betreffende instanties worden gecontroleerd en gedwongen zich in allerlei bochten te wringen om een baan te vinden, op straffe van intrekking van de bijstand – in de neoliberale ideologie heet dit ‘niet uitgaan van wat iemand niet kan, maar van wat iemand wel kan’, in de praktijk betekent dit dat een lichaam arbeid moet leveren tot het verwoest is. ‘Wie had kunnen denken dat honger in welvarende samenlevingen als de onze nog steeds als wapen kan worden ingezet?’, vraagt Loach zich af, die met I, Daniel Blake indringend heeft verfilmd hoe zulke vervolging eruit ziet.

Dit soort geweld maakt dat politiek over leven en dood gaat, zegt Louis, net als eerder in Ze hebben mijn vader vermoord. Zoals hij in dat boek stelt, is dat althans het geval voor de armen, de onderdrukten, de gemarginaliseerden. Voor de heersende klassen is politiek ‘een esthetische kwestie: een manier om over zichzelf te denken, een manier om de wereld te zien, om zichzelf op te bouwen.’ Terwijl politieke beslissingen – het afbouwen of minder toegankelijk maken van sociale bijstand, knippen in medicijnvergoedingen, arbeidsomstandigheden ‘flexibiliseren’, de sociale woningbouw afschalen – van diepgaande invloed zijn op het leven en de gezondheid van kwetsbaren. Louis en Loach bespreken hoe dit politieke geweld tot stress en overspannenheid leidt, wat weer geweld aanjaagt. Louis spreekt in dit kader van ‘dubbel politiek geweld’: allereerst het geweld van politieke beslissingen en maatregelen zelf, en ten tweede het geweld dat hier uit voortkomt.

Louis en Loach spreken in het tweede deel, ‘Politiek en verandering’, vooral over de toekomst van linkse politiek. Hun analyse raakt weliswaar de kern van het probleem – de afgelopen decennia hebben de grote linkse partijen de economische en sociale belangen van de lagere klassen uit het oog verloren, wat het gat heeft gecreëerd waar extreemrechts is ingedoken; vandaag de dag ontbreekt het links aan een overtuigend discours – maar is niet nieuw. De richting die zij uit wijzen volgt uit de analyse: links moet ‘zich niet meer [laten] opsluiten in de taal van rechts’, maar een nieuwe taal uitvinden waarin het andere problemen kan adresseren. Dit kan voor links ook het heruitvinden van de taal van rechts zijn: Louis en Loach laten zien hoe bijvoorbeeld de term veiligheid die door rechts wordt gebruikt om te spreken over het belang van politie en defensie, door links in verband kan worden gebracht met thema’s als sociale zekerheid en rechten.

Pas bij een vraag uit het publiek aan het slot van het tweede deel komt de rol van de kunst en haar relatie tot politiek expliciet ter sprake. Vooral Louis toont zich uitgesproken. Hij waakt ervoor mee te gaan in het onder progressieven dominante discours over kunst en cultuur als noodzaak of als middel om ‘betere’ mensen te worden. Beïnvloed als hij is door de socioloog Pierre Bourdieu, ziet Louis dit als een manier waarop zij die toegang hebben tot kunst en cultuur, zich onderscheiden van zij die dat niet hebben, de ‘ongecultiveerde volksmassa’s’. Kunst zou zich juist kritisch tot zichzelf en dit discours moeten verhouden, stelt hij: ‘[k]unst wordt gemaakt uit woede jegens de kunst, en niet om de zelfgenoegzaamheid van de heersende klassen te dienen.’ In Ze hebben mijn vader vermoord schreef Louis al: ‘Ik ben niet bang om in herhaling te vervallen, want wat ik schrijf, wat ik zeg, voldoet niet aan literaire eisen, maar aan die van de noodzaak, aan die van het vuur.’ Daar bedoelde hij dat hij het levensverhaal van zijn vader zou moeten blijven herhalen, niet om literaire redenen, maar om de elites verantwoordelijk voor diens lijden het te laten horen. In Dialoog over kunst en politiek noemt hij dit een ‘esthetiek van de confrontatie’: een opvatting waarin kunst ons confronteert met de rauwe, gewelddadige, onverdraaglijke wereld achter de ideologische versluiering.

Al zijn Louis en Loach het op veel punten eens, toch verschillen ze op bepaalde punten van mening. Over het algemeen lijkt Loach meer voor solidariteit en empathie te strijden, terwijl Louis eerder denkt in confrontaties. Waar Loach het belang van de geborgenheid van de gemeenschap benadrukt, daar staat Louis, die als homoseksueel opgroeiend in een arbeidersmilieu ook veel haat en intolerantie heeft meegemaakt, heel wat sceptischer tegenover die geborgenheid. Overigens zijn beiden het wel eens over de rol die het internet kan spelen in het vormen van nieuwe gemeenschappen, waarbij ze enigszins naïef voorbijgaan aan het feit dat het internet reeds in vergaande mate is ingekapseld in de kapitalistische orde – waarvan een van de uitwassen een toenemende online polarisatie is. Vooral interessant zijn hun verschillende opvattingen van werk. Loach ziet werk als ‘een natuurlijke behoefte’ die leidt tot zelfrespect en een zinvol bestaan. Louis daarentegen ziet meer in andere ‘bronnen van ontplooiing en waardering’: automatisering en andere technologische vernieuwingen zouden het mogelijk moeten maken om minder te werken, en meer tijd te besteden aan eigen gekozen activiteiten en projecten die het leven zin geven.

Dialoog over kunst en politiek is de neerslag van een boeiend gesprek. De stemmen die Louis en Loach laten horen – uitgesproken links, voor een sociale politiek en economie, fel tegen het huidige neoliberale beleid – worden te weinig gehoord in het publieke debat. In die zin is de dialoog zelf een voorbeeld van het nieuwe linkse discours dat zij voorstaan. Ten opzichte van het gevoerde gesprek in Studio B, Unscripted zijn de bijdragen van Loach ongewijzigd overgenomen in het boekje, terwijl die van Louis her en der zijn aangevuld; mogelijk is er in het uitgezonden gesprek geknipt, of heeft Louis de Franstalige uitgave – waaruit Louis’ vaste vertalersduo Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre hebben vertaald – gebruikt om duidelijker te maken wat hij in het Engelstalige gesprek bedoelde te zeggen. Het gesprek van nog geen uur – in boekvorm nog geen 70 dunbedrukte pagina’s – is gratis terug te zien bij Al Jazeera of op YouTube.

Remco Nieberg

Édouard Louis & Ken Loach – Dialoog over kunst en politiek. Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre. De Bezige Bij, Amsterdam. 71 blz.

1

Reacties