Een antieke tomatensorteerder als bruidsschat

De nieuwe verhalenbundel van Maarten ’t Hart, De unster, opent met een voor zijn vaste lezers vertrouwd gegeven. In ‘Het dal van Hinnom’ keert ’t Hart terug naar zijn jeugd in Maassluis. Oom Bert treedt in het huwelijk met een boerendochter uit het Zeeuwse Zonnemaire, en de jonge ‘ik’ mag mee. De hele familie stapt ’s ochtends vroeg in de bus. De lange reis wordt aangewend om een aantal psalmen uit het hoofd te leren, waarvan grootvader Arie weet („ik heb daar zo m’n spionnen”) dat ze tijdens de bruiloft in Zonnemaire gezongen gaan worden.

Jullie weten dat de familie van Bep niet erg gelukkig is met haar keus. Er is nou eenmaal een flink verschil in ligging tussen hen en ons. Ze denken daar in Zonnemaire dat wij zo licht zijn als een krielkippeveertje. Aan ons de taak om te laten zien dat wij net zo ootmoedig de Heere dienen als zij,

motiveert grootvader de generale repetitie in de bus. Er moet vooral langzaam worden gezongen. Aan boord is ook oom Cor die er nog altijd niet in is geslaagd om een vrouw te vinden. „Ik weet er genoeg, maar ze willen mij niet, terwijl d’r zat zijn die er slechter bijliepen dan ik en toch getrouwd zijn,” klaagt oom Cor.

Waarop vader Pau, de doodgraver, zegt:

Ik heb anders heel wat lijken begraven die d’r florissanter uitzagen dan jij, maar je zal zien, daar in Zonnemaire… Bert is daar ook geslaagd, dus waarom jij niet? En wat je ver haalt is lekker, nietwaar Bert?

Het verhaal staat vol met dit soort gezegden: regen voor tienen is niet om te grienen, alsof er een engeltje op je tong poept, zand schuurt de maag, de duurste schepen liggen nou eenmaal het langst aan land, van een bruiloft komt een bruiloft, maar ook uitdrukkingen die kennelijk tot het familie-idioom behoorden: ze loopt met haar neus in de wind alsof ze psalm 151 zou kunnen dichten….

Dominee Aangeenbrug („een moorddomineetje,” volgens de vader van de ‘ik’) verbindt oom Bert en de boerendochter voor het aangezicht des Heeren in de echt en zet de feestelijkheden extra luister bij met de bestudering van de Schrift over de vraag: waar lag het dal van Hinnom? Tijdens de uiteenzetting verdwijnt de familie van de bruid naar buiten: het is gaan onweren en er moet worden gejaagd op naaktslakken die tevoorschijn komen tussen de slaplanten, bonen en rode kolen.

Onder de slakkenjacht bereiden de beide vaders de volgende bruiloft voor, want de boer heeft nog een ongetrouwde dochter thuis: net wat voor oom Cor. Over de bruidsschat is men het snel eens: de antieke tomatensorteerder.

Het verhaal is het soort familie-anekdote waarmee het werk van ’t Hart doorspekt is. Ook het tweede verhaal, ‘Oom Job,’ speelt zich af binnen de vertrouwde familiekring. Maartens vader is gestorven en oom Job, aan wie de overledene een mateloze hekel had, dringt zich op. Telkens als hij aan komt fietsen, maakt hij een rare halve cirkel die onverklaard blijft. Ook in ‘Het dal van Hinnom’ komt een onverklaard rondje voor: de buschauffeur rijdt drie keer om de kerk van Dreischor heen. „Was het een bezwering?” vraagt de verteller zich af. Bij het rondje van oom Job wordt ook haar het waarom gevraagd, maar een antwoord blijft uit.

Zo zitten er in de verhalen in deze bundel veel meer terloopse elementen die aan de vertelling weinig toe- of afdoen, ’t Hart huldigt zeker niet het standpunt dat geen mus van het dak mag vallen zonder dat die val in het verhaal iets te betekenen heeft. Het lijkt wel alsof de schrijver met opzet zoveel losse draden in deze verhalen heeft laten zitten.

’t Hart ontpopt zich in De unster ook steeds meer tot een observator en een luisteraar, bijna van het type-Carmiggelt die vooral in zijn latere verhalen minder en minder de neiging vertoonde om tot een pointe te komen. Maarten ’t Hart lijkt zich eveneens steeds minder toe te leggen op het verliteraturen van de werkelijkheid. Hij maakt iets mee, hoort een verhaal en geeft dit weer, zonder al te veel opsmuk. Vaak is de belevenis die de schrijver wilde vertellen aanleiding tot het ophalen van herinneringen en anekdotes die met de belevenis als zodanig niets te maken hebben en in het verhaal een los eindje blijven. Hierin onderscheidt ’t Hart zich van Carmiggelt: laatstgenoemde verstond de kunst om wat hij te zeggen had in één enkele krantekolom te persen, ’t Hart is veel wijdlopiger.

In ‘Wonen op de Wallen’ wil hij weten „wat datgene kostte wat ik het liefste deed”. Hij laat ons even in spanning: zou Maarten ’t Hart echt…? Maar heel terloops meldt hij dat hij wilde weten wat het zou kosten om een uur op het orgel van de Oude Kerk te spelen. In de rest van het verhaal komt geen orgelspel meer voor. Op de („omstreden,” schrijft ’t Hart flauw) Nieuwmarkt koopt hij een tropische vrucht, die verder geen enkele rol speelt. Het enige is dat hij vijftig gulden kost, net als een uurtje orgelspelen en een nummertje.

Tegen het einde van het verhaal wordt een oudere man geïntroduceerd die bekent hoeren met krulspelden het einde te vinden, ’t Hart legt hem een levendige monoloog in de mond en filosofeert dan nog even door over die krulspelden. Het bezwaar van dit verhaal is dat je niet weet wat de schrijver ermee wil zeggen: het gaat maar door, het staat vol met stoplappen als: ‘eens’, ‘één keer’, ‘we leven nu enige jaren verder,’ en als hij dan eindelijk met een meisje heeft afgesproken, komt hij terug met zijn blauwe girokaart om tot zijn oneindige opluchting het gordijn gesloten te vinden. Waartoe dient dit alles, denk je als lezer al gauw. In het titelverhaal van de bundel komt de ‘ik’ alleen als luisteraar voor.

De unster is amusant en spannend tegelijk, volgens mij met ‘Mijn vrouw’ en ‘De draagmoeder’ als de meest geslaagde van de twaalf hier verzamelde verhalen. Het gaat over een bergwandelaar die het hele jaar door bezig is om zo licht mogelijke spullen te verzamelen, maar in zijn lichtgewicht rugtas niettemin altijd een zware unster, een balans met een veer, meesjouwt. Ik zal hier de clou niet verklappen.

In ‘Moederschap’ gebeurt iets bijzonders: de ‘ik’ zit in een trein die na in Dordrecht gestopt te zijn verder rijdt in de richting van Zwijndrecht over ‘de brug over de Dordtsche Kil.’ Zo er al een brug over de Dordtsche Kil zou bestaan, dan maakt de trein wel een vreemde omweg. Het is duidelijk dat ’t Hart zich hier vergist en de brug over de Oude Maas bedoelt.

Los van deze kleinigheid vind ik De unster een bundel van wisselend gehalte.

Frank van Dijl

Maarten ’t Hart – De unster. De Arbeiderspers.

Deze recensie werd eerder gepubliceerd in Het Vrije Volk, 18 september 1989.

2