Vertaling met een uitroepteken

Het succes van Niccolò Ammaniti was er niet meteen, ook niet in eigen land. Maar toen het eenmaal kwam, was het niet te houden. De Italiaanse schrijver brak door met de roman Io non ho paura (Ik ben niet bang) waarvan alleen in Italië al een miljoen exemplaren werden verkocht. Zijn werk is nu vertaald in vierenveertig talen.

Van zijn eerste Nederlandse vertaling (Ik haal je op, ik neem je mee) werden in 2004 met moeite maar drieduizend exemplaren verkocht, zeer tegen de zin van uitgever Oscar van Gelderen die meende dat er meer in moest zitten. Intussen staat de teller op honderdduizend, figureren ook Ammaniti’s andere titels in de Bestseller 60 en is het verschijnen van de vertaling van de nieuwe roman Laat het feest beginnen! inclusief overkomst van de schrijver een media-event van jewelste – dat soort dingen kun je wel aan Van Gelderen overlaten.

Wel handig dat Kluun, Herman Koch en Saskia Noort, zelf bestsellerauteur van beroep, zo enthousiast zijn over hun Italiaanse collega dat ze met alle plezier wervende teksten rondstrooien.

Zo komt het dat je tegenwoordig niet jarig kunt zijn, of je krijgt een boek van Niccolò Ammaniti.

Wat is het waarmee Ammaniti zijn lezers betovert?

In de eerste plaats is Laat het feest beginnen! natuurlijk een schitterende titel die maakt dat je niet kan wachten. Vooral dat uitroepteken: een vondst van vertaalster Etta Maris of uitgever Van Gelderen, want in de oorspronkelijke titel blijft dat leesteken achterwege.

In het eerste hoofdstuk maken we in een pizzeria kennis met de Beesten van Abaddon, een door transfers naar concurrerende groepen en door huwelijk nogal uitgedund stelletje would-be satanisten. In tegenstelling tot de Kinderen van de Apocalyps kunnen zij niet bogen op het brengen van een mensenoffer; hun meest satanische daad is het met graffiti bekladden van een viaduct. Hun chagrijnige leider heet Saverio Moneta.

Hoofdstuk twee (de hoofdstukken zijn aan de korte kant: de roman van driehonderd bladzijden telt er tachtig) verplaatst ons naar Rome waar de bekende schrijver Fabrizio Ciba de presentatie van de nieuwe roman van een Indiase Nobelprijswinnaar komt opluisteren. 

Hoofdstuk drie neemt ons dan weer mee terug naar de Beesten. De lezer krijgt inzicht in Moneta’s huiselijke situatie. Hij is getrouwd met een humeurig wijf, de dochter van een handelaar in knoestige alpenmeubelen die tevens Moneta’s baas is. Steeds meer herkennen we in de satansleider een authentieke sukkel.

Keren we in hoofdstuk vier weer terug naar de presentatie in Rome waar een beeldschone vertaalster Ciba’s aandacht afleidt en een professor die zich in de krant minder vleiend over het werk van Ciba heeft uitgelaten een inleidend praatje houdt waar maar geen einde aan lijkt te komen.

In hoofdstuk vijf wordt de duivelsbaas gebeld door de hogepriester van de Kinderen van de Apocalyps Wat wil die van hem?

Maar we spoeden ons weer naar de boekpresentatie, want in hoofdstuk zes komt Fabrizio Ciba aan het woord. In hoofdstuk zeven krijgt Moneta het aanbod om directeur te worden van de nevenvestiging van de Kinderen van de Apocalyps voor Midden-Italië en Sardinië.

En zo volgen de hoofdstukken elkaar als episodes van een soap op met niet zelden een cliffhanger aan het eind. In strakke cadans wisselen de belevenissen van het satansclubje en de ijdeltuitige schrijver zich af. Die belevenissen nemen soms absurde en bizarre vormen aan en de geoefende lezer ziet natuurlijk al van verre aankomen dat de paden van de Beesten en Fabrizio Ciba elkaar ooit op dramatische wijze zullen kruisen.

Niccolò Ammaniti beheerst het procedé, absoluut. Hij kan een verhaal vertellen en juist als je denkt dat het niet gekker kan, gooit hij er een schepje bovenop. Houdt hij van zijn personages? Ik denk van niet. Ze blijven karikaturen, zijn humor is leedvermaak. Erg? Nee. Met een glaasje wijn erbij: prima amusement.

Frank van Dijl

Niccolò Ammaniti – Laat het feest beginnen! Lebowski.

Deze recensie figureerde eerder in HP/De Tijd van 12 maart 2010.

2