Tegengestelden naast elkaar

Op veel manieren zijn de bundels Wij waar geen einde aan komt van Stefan Hertmans en Waar is het lam? van Mustafa Stitou elkaars tegengestelden. Wij waar geen einde aan komt kwam verleden jaar uit en is geen reguliere bundel, maar een keuze uit Hertmans’ werk door collega-dichter Peter Verhelst. Over deze bundel is nauwelijks een recensie te vinden. Waar is het lam? daarentegen krijgt de ene naar de andere positieve recensie, bijvoorbeeld van Maria Barnas in de NRC en Alfred Schaffer in de Groene Amsterdammer. De grootste tegenstelling tussen de bundels is echter dat Hertmans’ gedichten vaak niet in één keer begrepen kunnen worden en Stitous gedichten veel duidelijker lijken. Anders gezegd zijn de gedichten van Hertmans sacraal, zo mooi, en de gedichten van Stitou, hoewel die juist godsdienst en offers als thema’s hebben, veel toegankelijker.

Onderstaand gedicht van Hertmans lijkt uitdrukking te geven aan hoe zijn gedichten benaderd mogen worden:

De uitverkorene

Als Flora danst
zit hij op de eerste rij.
Hij zet zijn bril af,
sluit zijn ogen en geniet
terwijl zij zweeft.

Hoe hij haar ziet
heeft niemand ooit begrepen;
doorschijnend zijn alleen de
oogleden van een engel.

Ze schuiert en ze vlindert,
werpt schaduwen en licht
de zandkring rond,
ze schudt haar lijfje en ze
kronkelt als een slang
met ledematen, geurig
en als blind.

Ze zingt erbij,
hoog en een beetje wild.

Ze staat plots voor zijn troon;
ze hijgt uit en ze trilt.

En hij, de ogen nog steeds dicht,
hij lispelt in de richting van haar adem
en de kloppende aders in haar keel
en hij looft wat hij niet ziet.

De lezer mag zich uitverkoren weten als hij een gedicht van Hertmans leest. Het gedicht (Flora) doet haar best om er een mooie show van te maken, zoals blijkt uit de derde en vierde strofe. Het is niet van belang dat hij haar ziet zoals iedereen haar ziet. En hoe hij haar ziet, begrijpen anderen niet. Het lezen van een gedicht zou daarmee een hyperindividuele beleving zijn, veel meer dan een betekenisanalyse, zodanig dat met de analyse in de hand het gedicht na een keer lezen voor altijd gelezen blijft. Het is misschien een wat wilde analyse, zo wild als Flora danst, maar die sluit aan bij hoe deze bundel gelezen kan worden. Wat in ieder geval opvalt, als we naar de betekenis kijken is dat tegengestelden tegelijk bestaan, want de hij én ziet Flora (‘Hoe hij haar ziet’) én hij ziet Flora niet: ‘hij looft wat hij niet ziet.’

Hoe anders is het openingsgedicht van Stitou, dat tekenend is voor zijn gehele bundel:

Ze droomt dat haar broer
zijn zoon zal offeren
door met zijn auto
(een blauwe Citroën DS 23)

over hem heen te rijden.
Ze wil hem tegenhouden
maar komt niet door de menigte heen
die vanachter dranghekken het schouwspel gadeslaat.

Hij ziet haar,
stapt op haar af,
sust fluisterend: Ik heb geen keus. Maar ik zal zo over hem heen rijden dat hem niets overkomt.

Een beetje cru gezegd gebruikt Stitou weinig stijlmiddelen. Er zijn nauwelijks enjambementen, alliteraties, herhalingen of beeldspraak. In zekere zin zou dit proza kunnen zijn. Dat betekent waarschijnlijk dat Stitou, als vaardig dichter, daarvoor kiest. Het zorgt ervoor dat de nadruk extra op de inhoud, de betekenis komt te liggen, of anders gezegd: de lezer wordt niet door stijlmiddelen van de inhoud afgeleid. De scène is hard: een vader wil zijn zoon offeren. Dat thema komt de hele bundel terug. Het is in dit gedicht de laatste regel die het hele gedicht draagt. De vader erkent geen keuze te hebben en hij zal over zijn zoon heen rijden. Toch voelt de vader ook zoveel liefde voor zijn zoon, dat hij wil dat de zoon niets overkomt. Hij weet natuurlijk dat het niet kan, en misschien meer voor zijn zus dan voor hemzelf, houdt hij een onmogelijke tegenstelling in leven: hij zal over de zoon heen rijden, en de zoon zal niets overkomen. De zoon is het offerlam, dat de vader alleen kan offeren als de vader zichzelf voorliegt.

Het belangrijkste van de gedichten van Stitou is dan misschien de betekenis. Bij Hertmans is dat belevenis, zoals onderstaand gedicht:

De terugkeer 3

De lucht is zuiver, zeg je.
Raak me nu niet aan.

Ik draag je schaduw
als zwart ondergoed.

Je wil dat ik het liedje zing.
Ik rasp en knerp:
schimmen die langs een oud
ravijn met vingers wijzen
naar de dingen waar we bang voor zijn.

Wees nu een vent, zeg je.

Je slaat me tot ik als een kind beken
dat ik je eigenlijk niet ken.

Ook los van de mogelijke betekenis is dit een mooi gedicht. Dat komt door een veelvoud aan stijlmiddelen. Allereerst valt de herhaling van ‘zeg je’ op, waardoor het gedicht samen komt. De rijm van ‘beken’ en ‘ken’ geeft die woorden extra nadruk. De z en w zijn nadrukkelijk aanwezig, hier en daar met een alliteratie. Het beeld van ‘schaduw / als zwart ondergoed’ is een originele manier om te zeggen dat de ik naakt is, en daarmee misschien ook kwetsbaar. De woorden ‘rasp’ en ‘knerp’ horen door de p mooi bij elkaar, ook ‘ravijn’ en ‘wijzen’ kan een lezer bij elkaar vermoeden. Veel woorden vragen erom om traag te woorden gelezen, door lange klanken, zodat het gedicht als geheel een soort prevelig ritme krijgt.

De betekenis van de individuele woorden dragen ook bij aan de belevenis, bijvoorbeeld: ‘schaduw’, ‘zwart’, ‘schimmen’, ‘bang’, ‘slaat’. Het is daarmee zowel mooi als naargeestig, en daarmee draagt het gedicht al een tegenstelling in zich. Toch zal een lezer ook willen proberen dit gedicht te begrijpen, al is jezelf erin onderdompelen al genoeg. Er is sprake van een ik en een jij. De ik is naakt en ze lijken buiten te zijn (‘De lucht is zuiver’). De ik zingt op verzoek van de jij, van niet van harte, of de ik lukt het niet goed (‘Ik rasp en knerp’). De jij wil dat de ik zich gedraagt als een vent, wat waarschijnlijk iets inhoudt als: toon niet te veel emoties, en toon je sterk. Dan slaat de ik de jij, waarop de ik ‘als een kind beken / dat ik je eigenlijk niet ken.’ Dat betekent dat de ik de jij ook helemaal niet kent, anders kan je dat niet bekennen. Of misschien moet het anders gelezen worden, door het enigszins mysterieuze ‘als een kind’. Hoe zou een kind bekennen? Kan ik kind ook schuld bekennen van iets wat het niet heeft gedaan om aan een dreigende ouder te ontkomen? Hertmans lijkt de lezer in ieder geval de vraag te laten stellen of hij ooit een ander kan kennen. Dan weer naar Stitou, nu het afsluitende gedicht van zijn bundel:

Mosque shaped alarm clock

Weer schalt vanuit de minaret, die zich op het dressoir
verheft tussen kiekjes van kleinkinderen en het grote
scherm van de tv, de stem van de muezzin de woonkamer in,
mechanisch, robotachtig, en maakt een eind aan het gesprek.

Ze wordt geroepen om te bidden, trekt zich
in een hoek van de kamer stil terug. Engelen,
profeten, openbaringen, eeuwigheid – ze twijfelt niet,
je weet het zeker, getwijfeld heeft ze nooit,

Gebaard heeft ze je, opgevoed, een vreemde zien worden,
maar losgelaten nooit en jij haar evenmin; ongeduldig
blijf je wachten, kinderlijk verongelijkt, haar onverdeelde
aandacht wil je, overtuigd dat dood is dood.

Misschien is het beroepsdeformatie, maar bij het eerder geciteerde openingsgedicht van Waar is het lam? dacht ik aan Aristoteles. Aristoteles formuleerde het principe van het uitgesloten derde, simpel uitgelegd: iets is óf waar óf onwaar. Iets kan niet én waar én onwaar zijn. Concreet dacht ik: je kan niet én over iemand heenrijden én ervoor zorgen dat hem niets overkomt. Dat prikkelt de fantasie, en in deze recensie staat dan dat de vader zichzelf voorliegt: een manier om het principe van Aristoteles in stand te houden.

In dit slotgedicht werkt het anders. Mooi is hier de plaatsing van de tegenstellingen, aan de eindes van strofe 2 (‘getwijfeld heeft ze nooit’) en 3 (‘overtuigd dat dood is dood’). Deze tegenstelling lijkt zo fundamenteel dat de je en de zij niet meer een eenheid kunnen zijn, en dat blijkt ook: zij heeft de je ‘een vreemde zien worden’. Echter hebben ze elkaar nooit losgelaten, sterker nog: de je wil nog steeds de onverdeelde aandacht van de zij, alsof de vervreemding nooit plaats heeft gevonden. Hierin zou dan te lezen kunnen zijn: er is zowel vervreemding als geen vervreemding. Met dit gedicht lijkt Stitou het derde mogelijk te maken, ofwel iets te creëren dat zowel waar als onwaar is. Met goede wil is het vorige gedicht van Hertmans ook zo te lezen: iemand die zo vertrouwd is met een ander dat hij buiten naakt met haar is, moet toch ook bekennen haar niet te kennen. Hoewel Aristoteles de mensheid een grote dienst heeft bewezen met zijn logica, is het nu misschien aan de dichters, Hertmans en Stitou als exponenten, om ons de wereld te laten begrijpen, te beseffen dat tegengestelden allebei naast elkaar kunnen bestaan.

Op een gegeven moment lijken de bundels ook op elkaar te reageren. Dat Hertmans op Stitou reageert kan chronologisch natuurlijk niet, maar als een lezer net Stitou heeft gelezen, over offerdieren, neemt hij dat mee naar Hertmans:

Mooie dagen

Mooie dagen zijn lastig
in een regenachtig land,
je wordt herinnerd aan
vergeten idealen.

De zielen komen drankjes halen,
er is zo weinig tijd,
er zijn er meer zoals wij,

en niemand wil met schilfers
van zichzelf betalen.

Zo staan we in de rij.

De zon wordt zwart.
Ze vreet ons hart.

We dromen van een schichtig dier,
schuilend onder de kruinen
in een licht beregend woud.

Het knabbelt aan wat opgeschoten,
bitter smakend kruid.

Ook in dit gedicht worden vele technieken gebruikt, zoals klankherhalingen. Het staat ook vol tegenstellingen (‘Mooie dagen – regenachtig’, ‘herinnerd – vergeten’). Misschien is dit gedicht simpel te lezen: het is mooi weer, avond, bij een festival staan mensen in de rij om drankjes te kopen. ‘Ze vreet ons hart’ is wat lastig te begrijpen, maar er lijkt een gemis te zijn. Met Stitou in het achterhoofd zal het dier dat gemis kunnen vullen als het geofferd wordt, dan wordt ‘opgeschoten’ ook mooi meerduidig, of klinkt het mee in een Stitouaanse lezing.

Tot slot een gedicht van Stitou, met daarin een beeld dat kwaadwillend als godslastering kan worden ervaren. Een positieve lezing is: tegengestelden kunnen naast elkaar bestaan:

Via onze preparateur kochten we
van een dierentuin een chimpansee,
gestorven door vroeggeboorte.

We maten het kadaver op, maakten
een binnenwerk van purschuim,
ijzerdraad, wol en touw.

De preparateur had grote moeite
het te villen; het voelde, mopperde hij
alsof je een baby opensnijdt.

Maar niemand schept uit het niets.
Kunst is demonteren en transformeren.
Wij gebruiken alleen de huid.

Het opzetten was een helse klus:
breekbaar als luciferstokjes waren
de vingers van ons aapje.

Als Jezus hebben we het vereeuwigd,
zonder kruis, maar wel in de Bijbelse
pose, de armen gespreid.

De evolutietheorie vermengd
met het katholieke geloof
waarmee we zijn opgevoed;

in beide zit iets dat aannemelijk is
maar ons niet volledig kan overtuigen –
wie de dubbele laag niet ziet,

noemt het kitsch. Als kind al
gebruikten we speelgoed nooit
waarvoor het was bedoeld.

Hertmans en Stitou overtuigen beiden, en hoewel ze aan elkaar tegengesteld lijken, of zijn, ben ik blij dat ze op lijken te roepen in een wereld te geloven waarin tegengestelden naast elkaar kunnen bestaan, zodat we van beide dichters kunnen genieten.

Erik-Jan Hummel

Stefan Hertmans – Wij waar geen einde aan komt. De Bezige Bij, Amsterdam. 144 blz. € 24,99
Mustafa Stitou – Waar is het lam? De Bezige Bij, Amsterdam. 96 blz. € 21,99

0