Allerzielen is een loodzwaar boek. Een Duits boek ook, deze nieuwe roman van Cees Nooteboom die zich met het omvangrijkste werk dat hij ooit schreef nadrukkelijk lijkt willen scharen in de grote Europese literaire traditie. Er worden bepaald geen kleinigheden aangesneden. We hebben het hier over de Grote Thema’s: ‘de onsterfelijkheid van de kunst’, ‘de miljoenen geesten die om ons heen huiveren’, de geschiedenis. We hebben het over

de dood en over het verlangen naar anonimiteit. We hebben het over de noodzaak om te dolen, over overal en nergens thuis zijn. Een loodzwaar boek, maar niet topzwaar. Dat komt doordat Cees Nooteom bijna licht schrijft, poëtisch. 

Hoofdpersoon is de 45-jarige Arthur Daane, filmer, cameraman. De roman gaat dus ook over kijken, over zien. Arthur Daane is een reiziger, hij zwerft rusteloos door de wereld. Madrid en Berlijn zijn zijn pieds à terre. Als beginnend cameraman maakte hij toeristische reportages: ‘De bekende onderwerpen, de Semana Santa in Sevilla, de Costa Brava, alles waar Nederlanders met miljoenen naartoe gingen, Torremolinos, Marbella. Door al die reizen had hij een glimp opgevangen van wat hem echt interesseerde, steden die een hooghartig, eigen bestaan hadden bewaard dat niets te maken had met de uitverkoop in de rest van het land.’ 

Zoals we in het boek de thema’s herkennen die het werk van Nooteboom al sinds jaar en dag doorspekken, herkennen we in Daane een jongere incarnatie van schrijver zelf. ‘Reizen is mijn manier van denken’, heeft Nootetom twintig jaar geleden in een interview tegen mij gezegd. 

Ook Daane reist om te denken. Er wordt veel gedacht in Allerzielen. Actuele beelden doen denken aan vroegere beelden, gesprekken leiden tot uitvoerige monologues interieurs. Daane is er en hij is er niet. ‘De filmer verkeert in absentia’, zeggen zijn vrienden soms. 

Cees Nooteboom - AllerzielenIn zijn denken staat geschiedenis centraal; niet noodzakelijkerwijze de geschiedenis. Hem fascineert het onomkeerbare van de tijd. Bij een vliegtuigongeluk kwamen zijn vrouw Roelfje en zijn zoontje om het leven — dat is de persoonlijke geschiedenis die hem niet loslaat. Sindsdien leeft hij buiten de realiteit van het heden. Hij verzamelt beelden met zijn camera. Ooit moeten die worden samengevoegd tot een film, brokkelig als zijn leven zelf.

Waarom Duitsland, waarom Berlijn? ‘Misschien, dacht hij, is dit wel de reden waarom ik steeds naar Berlijn terugkom. Een kring waarin hij was opgenomen, waarvan de leden elkaar met halve woorden en zinnen begrepen, in metaforen of hyperbolen spraken of zwegen, waarin onzin zijn eigen betekenis had en niets uitgelegd hoefde te worden als je daar geen zin in had.’ Als de vergelijking tussen Amsterdam en Berlijn wordt gemaakt, valt Amsterdam af: ‘Nee, te mooi, te pittoresk. Niet genoeg geschiedenis. Geen drama.’ 

Er staan veel sleutelzinnen in deze roman, en dat is er één van: ‘Geen drama.’ Drama genoeg in Duitsland, drama genoeg in Berlijn. ‘Wat moet je toch in Duitsland?, vroegen Nederlandse vrienden regelmatig. Het klonk dan meestal alsof hij een ernstige ziekte had opgelopen. Hij had er een stereotiep antwoord op bedacht, dat meestal afdoende was. Ik ben er graag, het is een ernstig volk.’ 

De kring waarin Daane zich in Berlijn opgenomen weet, bestaat verder uit de beeldhouwer Victor Leven, de filosoof Arno Tieck en de fysicus Zenobia Stejn. Net als Daane is Victor een Nederlander; hij schrijft verhalen, hij speelt piano. Leven lijkt verdacht veel op Armando, de Nederlandse schilder, schrijver en violist die ook in Berlijn woont. Het viertal voert absurde gesprekken over ‘voorlopige worst’, maar ook over taal, eten, onsterfelijkheid, vergankelijkheid, over Hegel en Kant, en, natuurlijk, over geschiedenis. (Voorlopige worst is een worst met ‘een natte grijze of paarszwarte, losse massa’ van binnen. ‘Als je het mes erin zette, was het alsof je in een binnenband prikte, met een licht sissend geluid ontsnapte er wat naar lever of naar bloed geurende lucht, en de zachte brij begon naar buiten te stromen.’) 

Allerzielen begint als een Wagneriaanse opera. Sneeuw jaagt door de straten, het duister valt vroeg in. Verkeer is bijna onmogelijk, lopen een beproeving. Auto’s met zwaailichten en sirenes komen voorbij. De sneeuw is de grote gelijkmaker. 

Daar tegenover staan de ‘machines die met brede ijzeren vorken in de harde grond krabden’, die het verhulde onthullen. Het is koud, de tinten zijn zwart, wit en grijs als op het omslag van het boek. In het van het bloed van de geschiedenis en van voorlopige worst doordesemde Berlijn ontmoet Arthur Daane Elik Oranje die een proefschrift schrijft over een koningin (waarom heet Elik anders Oranje?) die in de twaalfde eeuw heerste over Léon, Asturië en Urraca. Zo doemt in het winterse Berlijn Daane’s (en Nootebooms) tweede vaderland op aan de horizon: Spanje. 

Het is daar dat zich bijna het noodlot voltrekt, en het is notabene zijn camera die hem haast het leven had gekost. Twee mannen willen hem van zijn camera (en dus van zijn kijken) beroven en trappen hem waar ze maar kunnen. Het is Elik Oranje die hem als een zwijgende Sirene naar Spanje heeft gelokt. Als hij zwaar gewond is, hoort hij ‘de sirene die hem kwam halen […], tot hijzelf de sirene geworden was en wegvloog en door niets meer kon worden tegengehouden.’ 

Eigenlijk speelt het verhaal in deze van symboliek zwangere roman geen rol van betekenis: het gaat om de beelden, om de gedachten, de referenties aan het Europese culturele erfgoed — zoals in de poëzie van Nooteboom. Het is dan ook niet het verhaal dat de lezer door het boek heen sleept. Wie het kader waarin Nooteboom zich beweegt niet herkent en geen plezier schept in het spel van tegenstellingen dat de auteur speelt, legt het boek misschien Zelfs schouderophalend terzijde. Dat dan ten onrechte.

Cees Nooteboom: Allerzielen. De Bezige Bij, 416 blz. € 24,99.
****

Deze recensie stond in het Algemeen Dagblad, 30 oktober 1998.
Hier mijn interview in Algemeen Dagblad, 1991, hier een gesprek met Nooteboom over De wereld een reiziger in Het Vrije Volk, 1989, hier mijn interview in Bzzlletin, 1978.