Stilleven van een Frans-Nederlands predikantengezin

In een Nederlands predikantengezin in Frankrijk worstelen drie mannen (alle drie predikant) met het leven. De hoofdpersoon en ik-verteller, een jonge vrouw, leeft zelf in Rotterdam, maar keert terug naar het gezin. Het is een stilleven in woorden, waarbij Nederlandse en Franse uitdrukkingen regelmatig apart benoemd worden. ‘Ik weet niet of ze er morgen nog zijn, heeft Mama op een stukje papier genoteerd naast de zwarte telefoon op haar bureau. Het zijn mensen van de dag, ils appartiennent au jour, ze heeft het met een rode balpen omcirkeld.’

Opa is dement, vader heeft een burn-out. Over hen zegt de verteller: ‘…ze herinneren zich niets, maar ze bestaan en dat is toch prima’. Broer Nicolaas, predikant in spe, twijfelt aan het beroep, aan zijn roeping. Hij heeft zijn eerste begrafenis geleid en vertelt over de luisterende nabestaanden: ‘Ze zaten allemaal dicht tegen elkaar aan en in die zwarte kleding versmolten de lichamen, het waren net trossen treurnis.’ Trossen treurnis, die zwaarte voelen we wel vaker in de roman, al zijn er ook momenten van verlichting, dan wordt er gezongen en gedanst, liedjes uit het verleden van het gezin.

De familie is erg op zichzelf en woont (blijkbaar) afgelegen, of de verteller vertelt bewust niet over de rest van de wereld. Zo krijgt Mensen van de dag de sfeer van een film of toneelstuk, met een beperkt aantal spelers, één locatie, een setting waar de tijd heeft stilgestaan. Hoewel er genoeg gebeurt, spreekt het me wel aan dat alles zo rustig verteld wordt, verstild. De verteller registreert, alsof ze slechts getuige is: we weten niet wat het echt met haar doet. Die registraties zijn stilistisch fraai en ontroerend: post-its bij het gasfornuis zijn ‘het brein van mijn vader in patchwork’, de vader zegt bij het eten dat hij dood wil en staat op, ‘verzamelt de sporen van de maaltijd met zijn linkerhand, pakt zijn bord en gaat’. Toch is de registratie mij uiteindelijk net iets te zakelijk. Wat vindt de hoofdpersoon er echt van? Wat betekent dit voor haar, voor haar leven dat nu stilstaat?

Emma Doude van Troostwijk groeide op in een Nederlands gezin in Frankrijk. Ze schreef in het Frans, de vertaling is gemaakt door Liesbeth van Nes. Daarbij heeft Doude van Troostwijk wel zelf gekeken naar de uiteindelijke tekst ‘om de tweetaligheid beter tot uiting te laten komen’. Dat is goed gelukt.

Een terzijde, deze Rotterdamse recensent heeft het wel moeilijk gehad met het eerste hoofdstuk dat zich in Rotterdam afspeelt. De exacte locatie lijkt haast fictief, want de hoofdpersoon zit met haar voeten in het zeewater, in het Noordzeelicht, met achter zich een dijk en ‘de wolkenkrabbers van Rotterdam’. Echte Rotterdammers noemen Hoek van Holland geen Rotterdam, maar daar zijn ook geen wolkenkrabbers te zien. De Maasvlakte? Daar is een dijk, maar Rotterdamse woonwijken zijn te ver weg en met je voeten in het zeewater kun je nooit over de dijk heen kijken. Ik heb er te lang over nagedacht, maar goed: het is fictie, niet moeilijk doen. De vraag blijft wel hoe relevant deze introductie was: ik had er goed mee kunnen leven als het verhaal zich volledig in Frankrijk had afgespeeld.

Michelle van Dijk

Emma Doude van Troostwijk – Mensen van de dag. Vertaald door Liesbeth van Nes. Meulenhoff, Amsterdam. 176 blz. € 20,99.