Jan Arends en De Pauwhof in Wassenaar

We lopen over de Paauwlaan. Nu en dan doemt achter een wand van rododendrons de villa op: De Pauwhof. In dit huis, dat sinds 1912 deel uitmaakt van het landgoed De Paauw, verbleef tussen 1940 en 1992 een keur aan schrijvers, schilders, musici en wetenschappers. Mevrouw J. Overvoorde-Cordon (1881-1957) stelde tien jaar na het overlijden van haar man, mr. dr. J.C. Overvoorde (1865-1930), stadsarchivaris van Leiden en directeur van het stedelijk museum De Lakenhal, haar landhuis open voor gasten die in hun eigen omgeving niet voldoende rust vonden ‘voor studie en scheppende arbeid’. De Pauwhof bood die rust. Tenminste, als je niet door de andere gasten werd gestoord.

Ed Hoornik voelde er zich in 1941 ‘even’ thuis en Martinus Nijhoff bezong datzelfde jaar zijn verblijf; het adieu was ‘mourir un peu’. Het gastenboek dat in het oud-archief in de rechtervleugel van het raadhuis wordt bewaard, is één grote lofzang op De Pauwhof en de omgeving. Ab Visser, die er vele jaren een van de habitués was, heeft zelfs een heel boek aan het huis gewijd: Het Klooster van Sint Jurriaan (1974). De titel verwijst naar een middeleeuws spotdicht over verboden seks in een klooster. Maar de herinneringen van Visser zijn vooral doordrenkt van drank. Toen hij in de zomer van 1947 in Wassenaar zijn intrek nam was de sfeer er overwegend ‘academisch’. Als losbandig dichter en schrijver en selfmade ‘half-intellectueel’ herinnert hij zich vooral ‘de seksloze deftige stemming’ die er heerste, evenals ‘een verstarde wellevendheid’.

Met de jaren komen er andere gasten naar De Pauwhof en met hun entree wordt de Victoriaanse preutsheid naar de achtergrond gedrongen en zullen meer libertijnse opvattingen en toenemend drankgebruik de sfeer in het huis veranderen. Niet in de laatste plaats door de aanwezigheid van gasten als J.C. Bloem, Clara Eggink, Havank (ps. van Hans van der Kallen), Victor van Vriesland, Ab Visser zelf, en een van de jongere gasten, de classicus Ton Verburg. De laatste twee ‘flikten elkaar goedaardige practical jokes’.

We zijn inmiddels bij de oprijlaan. Hier liep ooit de overspannen oud-priester, detectiveschrijver en Dickens-liefhebber Havank (Hans van der Kallen) te brevieren in de Pickwick Papers. Het huis komt dichterbij. Ik herken de balkonkamer, waar grafisch vormgever en boekverzorger Helmut Salden enige tijd een dubbele kamer had. De deuren zijn gesloten. Op die eerste etage had ook de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone, de auteur van de verhalenbundel De schuiftrompet (1947), een kamer. Crone hield er een bijzondere manier van ‘schrijven’ op na. Precieus schikte hij de talloze papiertjes met invallen om ze vervolgens aan elkaar te plakken tot een verhaal. Op een zomermiddag was de auteur juist bezig papiertjes te rangschikken toen Ab Visser zonder kloppen binnenkwam: ‘Zijn raam stond open en een hevige tochtstoot waaide zijn strookjes proza als confetti door de kamer.’ De doorgaans uiterst vriendelijke Crone schreeuwde: ‘Doe die deur dicht godverdomme. Je hebt in één seconde een week werk naar de knoppen geholpen.’

De stenen leeuwen flankeren nog steeds de trappen naar het terras, waar eertijds door de geopende tuindeuren de ‘deftige geurenmelange van pluche en versleten perzen, van tin en houtworm, van roet en boenwas’ naar buiten waaide. Het terras is leeg. Ooit poseerden ze hier in diepe rotanstoelen naast elkaar, de fine fleur van de Nederlandse literatuur:  Jacques Bloem, Adriaan Roland Holst, Jan Greshoff en P.N. van Eyck.

Naast de ingang is in de muur een gevelsteen met een pauw aangebracht, die verwijst naar raadspensionaris Adriaan Pauw die het terrein in 1635 aankocht. Achter deze deur heeft het zich allemaal afgespeeld. In de ouderwets gemeubileerde huiskamer, de antieke kamer… het glimmen van oud hout met ijzer of koperbeslag, het tikken van de staartklok. De hal met de bibliotheek voornamelijk gevuld met onleesbare dissertaties. De gordijnen waren vaak gesloten, wat het huis een mysterieuze uitstraling gaf. De mensen in de omtrek dachten dat er gekken woonden. Dit idee werd gevoed door de verhalen die kunstenaars zelf over het ‘rariteitenkabinet van mevrouw O.’ in omloop brachten. Er zouden ‘abnormalen’ wonen en ‘miskende genieën’. Dat bracht Ab Viser en Albert Vogel ertoe fietsers op de Rijksstraatweg de stuipen op het lijf te jagen door hen vanuit de berm toe te schreeuwen: ‘Help ons, help ons, ze houden ons hier vast!’

Ook de dichter, schrijver en huisknecht Jan Arends, die een deel van zijn leven in psychiatrische inrichtingen doorbracht, was hier. Een persoonskaart in het archief van De Pauwhof geeft aan dat ‘Letterkundige Jan Ahrends’ er van 16 januari 1954 tot 8 april 1954 als gast verbleef met als woonadres Amstelkade 18 II ‘p/a fam. Zijlstra’. Dit adres is in de lange lijst van adressen van Arens in het gemeentearchief van Amsterdam een verhelderende aanvulling en invulling van de aanduiding ‘VOW’: Vertrokken Onbekend Waarheen’. De spelling ‘Jan Ahrends’ was ontleend aan de naam onder het verhaal ‘De weldoener’, dat was afgedrukt in het kerstnummer van de Haagse Post van 31 december 1953, dat als aanbeveling had gediend bij mevrouw Overvoorde-Gordon om voor een kamer in De Pauwhof in aanmerking te komen.

In het personenregister van De Pauwhof duikt de naam J.C. [Johannes Cornelis] Ahrends op in de namenlijst van de eerste week van februari. De naam Ahrends zou nog enige tijd in literaire kring rondspoken, tot in de tweede week van februari de h in zijn naam werd doorgestreept. Uit de uiterst summiere gegevens over Arends in het register blijkt dat hij voor zijn verblijf ƒ 21,- per week betaalde. In een lijstje ‘uitgaven’ van die tweede week staat vermeld dat hij Annie, waarschijnlijk een hulp, ƒ 5,10 heeft betaald, ‘boterhamzakjes 0,40’, ‘bloemen Arends 1,0’, ‘blik peren 1,95’ en – heel opmerkelijk – een gift aan ‘fonds Shermin’ van ƒ 10,- wat een enorm bedrag voor hem geweest moet zijn. Maar hij gaf makkelijk geld uit. Voor zichzelf en ook, zoals in dit geval, impulsief aan een goed doel, als hij toevallig genoeg geld op zak had.

Arends liep via de Raadhuislaan op weg naar Den Deyl, waar zich behalve een postkantoor en wat winkels Café Bakker bevond. Daar trof Arends Ab Visser aan, die over deze ontmoeting pochte: ‘Ik kan mij erop beroepen zelfs van Jan Arends een biertje losgekregen te hebben in een kroeg en zij die hem kennen, weten dat er dan sprake moet zijn geweest van hogeschool-bietsen.’

Visser slaagde er ook in bij mevrouw Van Goudoever, de zuster van Johanna Overvoorde, schaamteloos ‘kick-geld’ los te krijgen: geld dat hem in de schoot viel, zonder dat hij er als tegenprestatie iets voor moest schrijven. De vrijgevige mevrouw Van Goudoever, die volgens Visser minder conventioneel en minder standbewust was dan haar zuster, stopte Ab wel eens wat extra ‘bankbiljetten’ toe als zij op De Pauwhof logeerde. Arends maakte ook kennis met haar. Hij was niet zozeer uit op haar geld, als wel op haar invloed. Aangemoedigd door haar niet-burgerlijke optreden en haar contacten, gaf Arends haar het manuscript van zijn verhaal over een visser en een stuk of wat gedichten ter lezing mee. Twee jaar later zou het verhaal door toedoen van Bert Schierbeek worden opgenomen in Schrijversalmanak voor het jaar 1956. Zonder titel. Pas in 1972 zou hetzelfde verhaal terugkeren in de verhalenbundel Keefman onder de titel ‘Een visser’.

Van Goudoever verpakte na lezing de papieren in bruin papier en verzegelde het vervolgens met rode lak op klassieke wijze. Het met dun touw ingebonden negentiende-eeuws aandoende pakket was gericht aan ‘Den Wel Ed. Heer Jan Arends, voornaam Poeet Te ’s Gravenhage’. Een begeleidend briefje ontbreekt.

Nu hij, zij het in kleine kring, als dichter en schrijver van verhalen erkenning had gekregen, wilde Arends een roman schrijven. Vanuit De Pauwhof stuurde hij op 11 maart 1954 een fragment van zijn roman aan Bert Bakker, ‘zoals wij gisteren hadden afgesproken’. Mocht Bakker het in Maatstaf  willen publiceren, dan wilde Arends nog een klein aantal veranderingen aanbrengen. Bakker reageerde op 22 maart: hij vindt het romanfragment van vijfentwintig bladzijden te kort om een indruk te krijgen ‘in welke richting de roman zich gaat bewegen’. Het proza bevalt Bakker wel, al kan hij nog niet genoeg ‘actie’ en ‘intrige’ ontdekken. Een ander meegestuurd kort verhaal oordeelt Bakker ‘veel minder sterk dan Herfst.’ Ruim een maand later laat Arends aan Bakker weten: ‘Ik ben nu weg uit de pauwhof.’ De moeizame correspondentie met Bert Bakker zal uiteindelijk leiden tot de uitgave Lente / Herfst, de novelle die later zal verschijnen onder de naam Vrijgezel op kamers.

Over Arends’ verzoek voor een verblijf van zes weken in het volgende jaar, werd uitvoerig vergaderd. Zo blijkt uit de notulen waaruit ik citeer in de biografie Angst voor de winter, het leven van Jan Arends (2003, tweede, herziene druk 2014): ‘Bij zijn vorige verblijf was gebleken, dat hij in zijn contact met anderen bijzonder moeilijk is; een ander punt was dat hij op het ogenblik geen geld heeft.’

Aan de achterkant van De Pauwhof staat een uit stenen gemetselde boog. In de voet van natuursteen staat gebeiteld dat zich ‘hierachter’ een centrum bevond ‘voor kunstenaars en wetenschappers.’ Ruim vijftig jaar na de oprichting was de doelstelling achterhaald. In 1995 was er de ambassade van Bangladesh gevestigd. Later nam de vrouwelijke ambassadeur er haar intrek. ‘Corinne en Peter Paul Stokvis kochten De Pauwhof in 2019 en adopteerden het landgoed als een lange termijn project,’ aldus De Wassenaarse Krant van 12 september 2025. ‘Hun aanpak is praktisch, historisch gewetensvol en gericht op continuïteit.’ Na een grondige restauratie oogt het resultaat ‘alsof het nooit anders is geweest’. Het huis blijft privé; de tuin en het exterieur zijn toegankelijk. Bezoekers wordt gevraagd de paden te volgen en geen sporen achter te laten.

Nico Keuning