Recensie: Tea Tupajić – Zwarte zomer
‘Het komt niet alle dagen voor dat ik zo diep ga’
Het lijkt of de hele wereld via allerlei verschillende media kan meekijken met willekeurig welke oorlog in welk werelddeel dan ook, terwijl de journalistiek en persvrijheid onder druk staan, en vrijheid, gelijkheid en broederschap als holle idealen klinken. Toch blijkt niets zo complex als het duiden van oorlogssituaties. Wat noemen wij genocide, wat is aanval, wat is verdediging en voor wie of wat brengen al die onschuldige slachtoffers eigenlijk een offer? In de zomer van 2025 verscheen Zwarte zomer van Tea Tupajić, een klein, bijzonder fraai vormgegeven boek over de bloedhete zomer in 1995, waarin 8400 Bosnische moslimmannen en -jongens werden vermoord door Bosnisch-Servische troepen onder leiding van kolonel-generaal Mladić, terwijl het Nederlandse vredesbataljon Dutchbat III de taak had gekregen om de moslimenclave in een door de VN toegewezen veilige zone van Sebrenica te beschermen. Op basis van gesprekken met meer dan honderd Dutchbat-veteranen legt Tupajić een schrijnende waarheid bloot.
De in Sarajevo geboren Tupajić is behalve schrijver ook film- en theaterregisseur. In 2018 maakte zij over Dutchbat-veteranen het theaterstuk Dark Numbers. Deze achtergrond is in Zwarte zomer goed zichtbaar. In korte fragmenten die lijken op filmshots, doemen schimmige portretten en vervreemdende situaties op, die weliswaar bijeengehouden worden door deze zwarte zomer, maar allesbehalve samenhang vertonen.
Het begint met een herinnering van Jeroen, die voor het eerst op patrouille gaat en bij het verlaten van de compound omringd wordt door kinderen die ‘Apos, geef me een bonbon’ naar hem roepen. Hij begrijpt niet waarom ze hem Apos noemen, terwijl hij Jeroen heet: ‘Later begreep ik het, toen ik mijn blauwe helm afdeed: er stond A-pos op. A-positief. Mijn bloedgroep.’ Ware humor schuilt in de tragiek. Meteen wordt duidelijk waarom dit immense drama toch in zo’n klein boek past van rond de 100 bladzijden: Tupajić’ stijl is zo compact dat in een paar zinnen een wereld opengaat. Juist omdat ze zo spaarzaam is, laat ze het volle gewicht van het drama intact.
Het vredesbataljon bestond uit mensen. Ook dat wordt op iedere bladzijde duidelijk. Zo hebben twee vrouwen een oogje op het ‘Beest’, een knappe luitenant, met wie ze graag willen zoenen. Tussendoor staat in enkele zinnen beschreven wat een uzi is en wat je daarmee precies kunt doen. Die afwisseling legt haarscherp bloot dat oorlogshandelingen uitgevoerd moeten worden door mensen zoals jij en ik.
Je kunt nooit op alles voorbereid zijn. Een geladen wapen is niet toegestaan op een vredesmissie. Als je dan met je uzi over je schouder en dertig kogels in je zak het landschap verkent en een lokale soldaat richt een pistool op je en zegt dat je je uzi moet geven, wat doe je dan? In een fractie van een seconde moet je beslissen.
Er is een telefoongesprek tussen een van de Dutchbatters en zijn ex-vrouw, die thuis in Nederland is. Hij vraagt of ze zijn zoon wil wakker maken. Als die halfslaperig ‘pappa’ zegt, krijgt de vader er zonder adem en stem niet meer uit dan alleen ‘Daan’. Hij wil hem vertellen dat hij die dag een jongen heeft ontmoet, net als zijn zoon: ‘Zijn naam was Hasan Mehmedović. Hij had hij (sic) zijn hele familie verloren bij een granaataanval. Hij had het overleefd, maar was verminkt.’ Het lukt hem niet om daarover te vertellen tegen zijn slaperige zoon en het wordt een nietszeggend gesprek. Daarna wordt de verbinding verbroken.
Niet alle fragmenten gaan over de situatie destijds in Sebrenica. Zo vertelt Jeroen in een van de stukken waarom hij zich heeft aangemeld. Zijn grootvader zat in het verzet. Bij Jeroen schepte hij alleen op over zijn duikershorloge dat wel tot 100 meter diepte kon, maar nooit vertelde hij oorlogsverhalen: ‘Maar Jeroen, m’n jongen, het komt niet alle dagen voor dat ik zo diep ga,’ zei hij altijd. Jeroen wilde net als zijn opa een held zijn. Ook zijn er fragmenten die gaan over een psychiatrisch rapport van een van de veteranen die PTSS heeft en met een arbeidsdeskundige in gesprek gaat.
Halverwege het boek wordt summier verteld over de scheiding tussen mannen enerzijds, vrouwen en kleine kinderen anderzijds: ‘Ik zie vijfentwintigduizend vluchtelingen die allemaal de compound in willen. We hebben plek voor vijfduizend.’ Op deze, ik zou haast zeggen ‘zwarte bladzijde’, is veel opengelaten.
Er volgen fragmenten zonder context over een defect wapen dat geblokkeerd blijkt als het geladen moet worden. Er klinkt geschreeuw. Daartussen staat een gruwelijke grap, gevolgd door een vrouw die iemand in het gezicht spuugt, een dokter die op zoek is naar een jongetje, brood dat zelfs gestolen wordt van kinderen. Chaos en radeloosheid zijn voelbaar.
Op het omslag prijkt een veld met klaprozen. Ofschoon het veld van beneden naar boven één geheel is, loopt er halverwege een rommelige scheiding. Het onderste deel is veel donkerder en de scheidslijn lijkt verbrand. De klaprozen daarboven doen denken aan vlammen, terwijl ze tegelijkertijd ook gewoon klaprozen zijn, die bovendien nog steeds symbool staan voor het bloed dat vergoten wordt in oorlogen.
Tupajić legt in dit kleine boek een schrijnende waarheid bloot over oorlog, namelijk dat er geen waarheid is, alleen splinters: heel veel fragmenten vanuit even zoveel perspectieven. Er zijn verwachtingen, beloftes, idealen, er is hoop, humor, angst, woede en gelatenheid. De chaos beperkt zich niet tot de oorlogssituatie zelf, maar dringt ook in volgende generaties door. Onophoudelijk is voelbaar hoe zinloos al dit geweld is waar geen eind aan lijkt te komen.
Dietske Geerlings
Tea Tupajić – Zwarte zomer. Uitgeverij Koppernik, Amsterdam. 104 blz. € 17,50.
