Niet piekeren maar poetsen

U heeft ze misschien weleens gezien, de manshoge bierfles- of wasmiddelpakken waarin een arme reclamejongen adverteert voor een of ander merk. Waarschijnlijk heeft u nooit gezien hoe zo’n pak openscheurt en leegloopt, en dus helemaal geen arme reclamejongen maar een levende of nu stervende fles bier of wasmiddel blijkt te zijn. Prijs uzelf gelukkig, want het is eenzaam om getuige te zijn van iets waarvan je weet dat niemand het ooit zal geloven. Rob van Essen verheft het ultiem banale tot iets existentieels, en ik zal nooit meer gewoon door het huishoudschap kunnen lopen. De grote schoonmaak is deels tijdsbeeld van de jaren (negentienhonderd)tachtig, deels fantasie over de jaren (eenentwintighonderd)negentig. Bovenal is het een boek als een Magritte: alles ziet er echt uit, maar het kan niet.

We ontmoeten Thomas in medias res op een Engelse uitgaansavond anno 1990, waar hij een oude man op een bankje uitlegt hoe hij in een bierflesjespak is terechtgekomen. Het is een verhaal dat tien jaar eerder begint, wanneer hij stopt met school om in een supermarkt te werken. ‘Dat zoiets als aardrijkskunde uit mijn leven was verdwenen, vervulde me met een opgewekte rust. Ik had het niet meer nodig, ik wist inmiddels wel ongeveer waar alles lag.’ Ja, hij heeft een lekker droge vertelstem. Fietsen naar Wageningen, beetje vakkenvullen, na sluitingstijd een biertje met filiaalhouder Vendriks; het is zo slecht nog niet. Tot het incident met de promotiecampagne van een schoonmaakmerk, waarbij een fles ‘Brixo’ op tragische wijze voor hun beider ogen komt te overlijden. ‘Een vreemde, surrealistische nachtmerrie, iets voor een schilderij van Magritte.’

Vendriks kiest voor de ontkenning, en voor de zekerheid ontslaat hij Thomas. Thomas dus werkeloos, maar dat was volgens Van Essen niet zo moeilijk in de jaren tachtig. Je vroeg een uitkering aan, trok naar Amsterdam en kraakte een pand waar mensen nu een vermogen voor neerleggen maar waar toen niemand wilde wonen. Hij wordt schilder, van openbarstende flessen uiteraard. Loopt dat vast, dan probeert hij filosofie en de liefde. Zijn schepper laat zijn ironische toon hier even varen. ‘De ontzagwekkende ervaringen van de ander die het gevolg waren van iets wat jij bij haar deed maar waarbij je tegelijkertijd een eerbiedige toeschouwer bleef.’ Wel erg lyrisch, merk ik zuinig op. Laten we niet vergeten dat Thomas geacht wordt dit alles te zeggen tegen een onbekend oud mannetje op een Engels bankje. De relatie overleeft zijn grote onthulling trouwens niet. Brixo scheidt hem voor altijd van de gewone mensen.

Alles wat ik meemaakte, las of bekeek, speelde zich af in een wereld waarin niet was gebeurd wat mij was overkomen. Maar het was wel gebeurd, de wetten van de wereld hadden zichzelf overtreden waar ik bij stond, en er was geen weg terug.

Eenzaamheid schept echter ook verbondenheid, met lotgenoten. Thomas en Vendriks vinden elkaar terug. De herinnering aan een grote fles golvende vloeistof doet ze zelfs samen in bed belanden. Ook Vendriks heeft de nodige verwerkingspogingen achter de rug: seks, studie, God. Zijn verblijf in een betoverd klooster in de Himalaya past in dat rijtje, maar doorbreekt de betovering van het boek helaas een beetje. Tot dan toe speelt De grote schoonmaak zich af in een wereld die even echt en saai is als de onze, op Brixo na. Met andere woorden: dit kan u en mij ook overkomen, en hoe zouden wij reageren? Vendriks’ verhaal trekt het boek verder de fantasy in. Maar goed, die kant gaat het sowieso op, zullen we straks zien.

Een plot dat opent met het onverklaarbare stevent immers onvermijdelijk af op een tweesprong: de ontdekking van een oplossing, met diepzinnige boodschap, of het ontbreken daarvan als diepzinnige boodschap. Een verklaring voor, of een verzoening met het absurde, in Thomas’ woorden. De schrijver houdt de spanning er lang in. Pas op twee derde ontdekken de lotgenoten een spoor, dat ze naar de bank leidt waar Thomas zijn verhaal doet aan Bertie. Veel verder komen ze echter niet. De beste omgang met het leed in de wereld, schreef Voltaire, is voor je tuintje te zorgen. Dat doen ze, maar dan met een Brits bejaardentehuis.

Soms krijgen we de indruk dat we hier al jaren zitten en wanneer we dan tijdens het ontbijt naar de datum op Berties krant kijken, blijkt dat inderdaad zo te zijn.
EINDE

Maar niet heus. We blijken – of lijken? – namelijk te maken te hebben met een boek-in-een-boek, en wel een dat dat in de verre toekomst duizenden inspireert. Wanneer het leven je een limoen geeft, zong Beyoncé, maak je limonade, en wanneer het een doodgaand schoonmaakmiddel in de aanbieding heeft, maken we de supermarkt schoon. Je kunt van alles vinden van deze truc. Dat het het oorspronkelijke verhaal onnodig op afstand van de lezer zet (en dat ik dit een bezwaar vind geeft aan hoe gehecht ik in 200 bladzijden aan Brixo ben geraakt). Dat Peter Buwalda de wind van voren kreeg toen hij vorig jaar hetzelfde deed met De jaknikker. Dat er opeens veel te veel wordt uitgelegd, of nog steeds te weinig.

Maar ook dat het een reeks leuke doordenkers oplevert. Bertie die oppert dat ze een oproep aan getuigen van vergelijkbare gebeurtenissen kunnen doen zonder voor gek te worden uitgemaakt door hun lotgevallen als fictie te verpakken, hetgeen dan dus al gebeurd is. Of ooit zal gebeuren? Thomas en Vendriks die reflecteren op hun nieuwe rol. ‘Ik geloof niet dat ik graag een verhaal ben,’ zegt Thomas, en: ‘dat zijn wij dus: echte personages.’ Nu voelt alles wel heel absurd, tot je bedenkt dat het waar is.

En dat de schrijver mijn tweesprong toch heeft weten te omzeilen; ook na lezing zit ik met de vraag of we nou een verklaring voor Brixo hebben gekregen, of dat de les is dat er geen verklaring is: poetsen! En ik zit met de vraag of Van Essen dit alles heeft meegemaakt in zijn eigen vakkenvullerstijd in 1980 en De grote schoonmaak één grote schreeuw om hulp is, of dat hij een buitengewoon origineel verhaal heeft bedacht.

Tobias Wijvekate

Rob van Essen – De grote schoonmaak. Das Mag, Amsterdam. 280 blz. € 24,99.