Moet een schrijver partij kiezen?

Veel mensen vinden  dat literatuur boven de politiek zou moeten staan. Alsof de roman een neutrale ruimte is, los van de wereld, waar schoonheid, stijl en verbeelding belangrijker zijn dan maatschappelijke betrokkenheid. Tegelijkertijd verwachten we van schrijvers juist vaak dat zij zich uitspreken wanneer de wereld in brand staat. Zeker in een tijd van oorlogen, polarisatie en permanente media-ophef lijkt zwijgen haast verdacht geworden.

De vraag of een schrijver partij moet kiezen, hield mij bezig tijdens het schrijven van mijn roman Naar Beiroet. Het was de eerste keer dat een boek van mij nadrukkelijk een politieke dimensie kreeg. Niet omdat ik een politieke roman wilde schrijven, maar omdat de werkelijkheid zich opdrong. De aanval van Hamas op 7 oktober 2023, de vernietiging van Gaza, de reacties in Europa en het groeiende gevoel van morele verwarring maakten afstandelijkheid bijna onmogelijk.

Geen pamflet
Toch wilde ik geen pamflet schrijven. Literatuur is immers iets anders dan propaganda. Een roman die alleen wil overtuigen, verliest vaak precies datgene wat literatuur waardevol maakt: nuance, twijfel, gelaagdheid. Literatuur hoeft geen antwoorden te geven, maar moet naar mijn idee juist ruimte scheppen om vragen te stellen.

Volledige neutraliteit is misschien een illusie. George Orwell die we allemaal kennen van zijn dystopie 1984, schreef al dat alle kunst in zekere zin politiek is, omdat iedere schrijver keuzes maakt: wat laat hij zien, wat niet, vanuit welk perspectief kijkt hij naar de wereld? Zelfs de schrijver die beweert apolitiek te zijn, maakt daarmee een politieke keuze.

Dat betekent echter niet dat literatuur partijprogramma’s moet volgen. Zodra een roman uitsluitend een ideologisch doel dient, dreigt zij haar vrijheid kwijt te raken. Vladimir Nabokov verzette zich sterk tegen het idee dat romans in dienst moesten staan van ideologie, moraal of maatschappelijk engagement. Dat zie je vooral terug in zijn colleges en interviews, die ik uiteraard gelezen heb, zoals in Strong Opinions en Lectures on Literature. Daarin benadrukt hij voortdurend dat kunst in de eerste plaats esthetisch moet zijn, niet didactisch of politiek. Een bekende uitspraak van hem is bijvoorbeeld: ‘Literature is not about ideas, it’s about words.’
Maar, denk ik dan, waarom mag een roman niet over ideeën gaan? Naar Beiroet is in wezen een ideeënroman. Ik heb het voor de zekerheid maar eens opgezocht en dan zie ik dat een ideeënroman een roman is waarin ideeën, wereldbeelden of filosofische vragen minstens zo belangrijk zijn als het verhaal zelf of als de psychologie van de personages. Ook mijn personages discussiëren vaak over politiek, moraal, religie of kunst en vooral over oorlog. Ook ik gebruik het verhaal om grotere vragen te onderzoeken. Ik probeer de lezer aan het denken te zetten. Wat is macht, oorlog, wie heeft gelijk, waar draait het in wezen om in het leven? Dat soort zaken.
Margaret Atwood wees erop dat geen enkele auteur verplicht kan worden woordvoerder van een beweging of ideologie te zijn. Zo zegt ze in een interview in The New Yorker letterlijk: ‘I didn’t want to become a megaphone for any one particular set of beliefs.’

Verschillende ideeën en meningen
Toch blijkt in de praktijk dat veel grote schrijvers zich nauwelijks buiten hun tijd konden plaatsen. Jean-Paul Sartre vond dat schrijven zelf al een vorm van handelen was. Albert Camus koos een subtielere positie, die mij trouwens meer bevalt: een schrijver moet midden in zijn tijd staan, maar zich er niet volledig door laten opslokken.

Tijdens het schrijven van Naar Beiroet dacht ik vaak aan filmmaker George Sluizer, van wie ik een box kocht met al zijn films op dvd, omdat ik gelezen had dat hij documentaires gemaakt had over de Palestijnen, in vluchtelingenkampen in Libanon. In totaal maakte hij tussen 1974 en 2010 vier documentaires. Sluizer zei expliciet dat objectiviteit niet bestaat en dat je uiteindelijk partij moet kiezen. Die uitspraak is bij me blijven hangen. Deze uitspraak legt een ongemakkelijke waarheid bloot: absolute objectiviteit bestaat niet.

Harold Pinter, wiens uitstekende biografie door Michael Billington ik onlangs las (overigens na het schrijven van Naar Beiroet) hield zich intensief bezig met politiek. In zijn Nobelprijsrede uit 2005 hekelde hij het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten en de manier waarop geweld vaak onder diplomatische taal verborgen wordt. Pinter werd door sommigen bewonderd om zijn moed en door anderen verweten dat hij zijn literaire prestige gebruikte voor politieke doeleinden. Maar juist dat debat toont hoe moeilijk de verhouding tussen kunst en politiek blijft.

Persoonlijk
Voor mij persoonlijk speelt bovendien iets anders mee: ervaring. Ik kom al twintig jaar in Libanon, omdat mijn vrouw daar vandaan komt. Niet als toerist, maar als iemand die families leert kennen, gesprekken met allerlei mensen voert, ze hoort praten over oorlog, bombardementen en andere ellende. Zulke ervaringen veranderen je blik op de wereld. Ze maken het moeilijk om conflicten uitsluitend te bekijken vanuit abstracte geopolitieke analyses of vanuit een westers mediaperspectief.

Mijn eerste roman Tolvlucht laat zien dat de perikelen in het Midden-Oosten me al langer dan sinds 7 oktober aan het hart gaan. Dat boek speelt zich af in het interbellum en behandelt de opkomst van antisemitisme in Europa. De hoofdpersoon redt daarin een Joods meisje uit Duitsland. Toen ik het boek onlangs herlas, merkte ik dat ik destijds al kritisch schreef over het ontstaan van Israël, terwijl ik tegelijkertijd veel mededogen voelde met Joodse slachtoffers van vervolging.

In Naar Beiroet verschuift het perspectief. Daar gaat het niet langer alleen over slachtofferschap, maar ook over macht. Over de vraag wat er gebeurt wanneer historische trauma’s onderdeel worden van nieuwe vormen van geweld. Dat zijn ongemakkelijke vragen, juist omdat zij morele zekerheden aantasten. Misschien is dat uiteindelijk de taak van literatuur: niet het bevestigen van zekerheden, maar het verstoren ervan.

Activisme
Een schrijver hoeft daarom niet noodzakelijk activist te zijn. Hij hoeft geen slogans te produceren of politieke oplossingen aan te dragen. Maar hij kan ook niet volledig buiten de wereld staan. Een schrijver kijkt naar de wereld om zich heen. En wie dat serieus doet, kan moeilijk doen alsof het hem niets aangaat.

Bij Virginia Woolf vind je het idee terug dat nadenken en kritisch kijken op zichzelf al een vorm van verzet kunnen zijn. Dat is waarschijnlijk de positie die mij het meest aanspreekt. Een schrijver hoeft niet voortdurend partij te kiezen, maar hij mag zich evenmin verschuilen achter schijnbare neutraliteit wanneer de werkelijkheid daarom vraagt. Literatuur moet vrij blijven, maar vrijheid betekent niet onverschilligheid.

Misschien is dat wel de kracht van literatuur. Dat ze niet meteen hoeft te oordelen, maar je even laat meekijken door de ogen van iemand anders. In een tijd waarin iedereen direct een standpunt moet hebben (denk aan de social media waar ik me, vaak tot mijn eigen ongenoegen, ook ernstig aan bezondig), is dat misschien al bijzonder genoeg, en wie weet ook wel politiek genoeg.

Gerrit Brand