Kind in een sekte in zeventiende-eeuws Friesland

In Het addergebroed van Slot Thetinga neemt Margareta van Andel de lezer mee naar zeventiende-eeuws Friesland. In de buurt van het Friese dorpje Wieuwert is op Slot Thetinga een groep labadisten neergestreken. Volgelingen van Jean de Labady. Ze leefden volgens strenge regels en gaven al hun bezittingen aan de sekte. Het contact met de buitenwereld werd beperkt tot een minimum, om heidense invloeden te voorkomen. Er woonden ook veel kinderen in de sekte. Eén van hen is Jean, de hoofdpersoon in het boek. Hij doet zijn best om te voldoen aan de strenge regels, maar dat lukt hem niet al te best.

Aan het begin van het boek moet Jean van broeder Servaasz een wandelstok naar ‘de mennoniet’ brengen, de landman Atze Annes. Jean ziet dit als een belangrijke opdracht, waardoor hij misschien eindelijk ook gezegend zal worden, net als zijn zusjes en zijn vriend Roderick. Maar als hij goed en wel op pad is, wordt hij in elkaar geslagen door een groep grotere jongens uit het dorp, die het voorzien hebben op de labadisten. Hij wordt gered door een jongen, denkt hij, die hem meeneemt naar een huis. Hij raakt buiten westen door zijn verwondingen en als hij bijkomt merkt hij met schrik dat hij in het huis van heidenen is. Door zijn observaties in het huis merk je hoezeer Jean geïndoctrineerd is door de orthodoxe religie van de sekte. Alles wat prettig is, is verkeerd, denkt hij: De kruidige, warme soep. Het vuur in de haard. De meubels. En niet in de laatste plaats de mensen: Hieke, een meisje in jongenskleren en haar grootmoeder, die vroedvrouw is. Het blijkt dat Jean is gered door een meisje.

Het wordt al snel duidelijk dat Jean iemand is die vragen stelt. En vragen stellen is taboe op Slot Thetinga. ‘Het hoofd moet eraf’, is een uitspraak in de sekte. En daarmee wordt bedoeld dat je niet zelf moet denken, maar vooral moet doen wat de sekte voorschrijft. Maar Jean raakt al snel in vertwijfeling, want waarom is alles wat goed voelt en prettig is, fout volgens de labadisten? Jean lijkt in dit opzicht op zijn vader, die de sekte inmiddels heeft verlaten. Jeans moeder is opnieuw getrouwd met een man die streng in de leer is en die niets van Jean moet hebben. Jean wordt gezien als ‘addergebroed’, omdat zijn biologische vader niet opnieuw in de sekte is getrouwd met zijn moeder. Zijn twee zusjes hebben inmiddels ‘de kinderzegen’ gekregen. Dat geeft bepaalde voorrechten, zoals af en toe warme kleren en meer eten. Jean doet enorm zijn best om die zegen ook te krijgen, maar kan niet voorkomen dat hij steeds vaker ziet hoe haaks de regels van de labadisten staan op zijn eigen gedachten en het leven buiten de sekte.

Zowel ìn, als buiten de sekte ontmoet Jean zielsverwanten. In de sekte werkt hij voor Pieter, de timmerman, die hem vaak mee ‘naar buiten’ neemt, dus naar de wereld buiten de sekte. Hij raakt bevriend met de blinde jongen Isaac, die de regels in de sekte luid en duidelijk verwerpt. Buiten de sekte sluit hij een vriendschap met Hieke en de Mennoniet. Hieke heeft zo haar eigen problemen. Want hoewel de zeventiende eeuw de eeuw is van de Renaissance en de verlichting, beïnvloeden geloof en bijgeloof het dagelijks leven nog sterk. Als je daar zo je vraagtekens bij zet òf als je afwijkt van de norm, dan heb je het moeilijk.

Jean gaat steeds meer twijfelen. In eerste instantie aan zichzelf, maar gaandeweg steeds meer aan de leefwijze in de sekte. Want waarom zouden zijn vader en Hieke slecht zijn? En hoe zit het met de Mennoniet, die wèl gelovig is, maar niet bij de labadisten wenst te wonen?

Bedoeld of onbedoeld plaatst Margaretha van Andel met dit verhaal indirect kanttekeningen bij al te orthodoxe vormen van religie en bijgeloof. Dat maakt het ook mogelijk om een link te leggen van het boek naar onze eigen wereld, waarin een groeiende groep mensen zich verliest in complottheorieën en waarin bepaalde religies nog steeds of weer vrouwen, homoseksuelen en verlichte denkers proberen te onderdrukken. Maar bovenal schreef zij een historisch verhaal waardoor je je met gemak laat meeslepen. Je ziet het zeventiende-eeuwse Friesland voor je verschijnen, met de trekschuit, de boerderijen en ook de kroegen in Leeuwarden. Geen wonder dus, dat Van Andel met dit boek in 2025 de Thea Beckmanprijs won. Ze is inmiddels ook één van de drie genomineerden voor Pabo Boek 2026. Aanstaande donderdag maakt Stichting Lezen op de Hanzehogeschool Groningen bekend of Het addergebroed van Slot Thetinga ook deze prijs in de wacht sleept.

Mariska Venema

Margaretha Van Andel – Het addergebroed van Slot Thetinga. Lemniscaat, Rotterdam. 280 blz. € 15,99.