Recensie: Piet Gerbrandy – Ontzettingen
‘Dat ik nergens voor deug is geen keuze maar pech van de richel’
Na het leerdicht Niets dan dit (2023) en de essaybundel Het woord en de wereld (2025) heeft Piet Gerbrandy nu weer een klassieke dichtbundel afgeleverd: Ontzettingen (2026). Ontzettingen is de tweede dichtbundel van Gerbrandy bij Uitgeverij P, die net als Niet zonder geritsel (2022), Gerbrandy’s vorige bundel bij deze uitgever, door Anne van Herreweghen geïllustreerd is.
Een groot deel van de gedichten verscheen eerder in tijdschriften of als gelegenheidsgedicht. Het lijkt ook deels om (herzien) oud werk te gaan, aangezien een aantal van de gedichten tussen 2016 en 2024 verscheen. Toch heeft dit alles tot een fraai geheel geleid en oogt de compositie van de bundel niet als een samenraapsel van wat nog op de plank lag.
De bundel lijkt qua opzet op vroeg werk van Gerbrandy. De sfeer is weer ruw en aards. Zoals altijd gaat het over vrouwendijen (‘wespen krekels ongetemde bijen jouw hemelse dijen’). En ook de wenteltrappen uit eerdere bundels keren in deze bundel terug. Er gaat zoals altijd een zekere zwaarmoedigheid van de gedichten uit, die ook vaak meteen weer om kan slaan. De seks- en doodsdrift is nooit ver weg in dit oeuvre. Gerbrandy heeft zichzelf de afgelopen jaren vaak opnieuw uitgevonden, maar qua opzet, stijl en thematiek is zijn meest recente bundel een herhaling van zetten, wat op zich niet erg is, omdat ik hier graag meer van lees. Het doet denken aan vroege bundels, al is de poëzie iets toegankelijker.
Toch lijkt de recente poëzie van Gerbrandy – begrijpelijkerwijze – iets bedaarder dan 30 jaar geleden, zonder aan schoonheid in te boeten. Doodsdrift en een al te vurige, wanhopige hartstocht hebben plaatsgemaakt voor een subtieler, verfijnder verlangen. Terwijl Gerbrandy in oud werk het lichaam weleens voorstelde als een huis (niet zelden toe aan een opknapbeurt) stelt hij het hier gelijk aan de aarde: ‘mijn vingers in rulle dampende aarde / jouw bleke wortelstelsel taai en weerbaar.’ De bundel barst weer van de strofen die alleen Piet Gerbrandy kan schrijven:
Bezie ik echter het spel van jouw pezen dan diep ik
mijn best gewet mes op en snijd ik
een roodgerokte ui tot lauwe tranendankoffer voor een grijsgroen lied van geur.
In zijn intertekstuele verwijzingen discrimineert hij zoals altijd niet tussen de klassieken en moderne auteurs. Hölderlin, het Hooglied, Kopland en Jason en de Argonauten passeren allemaal de revue. In zijn essaybundel Boeken die ertoe doen (2000) verwoordt hij dat als volgt: ‘Hoewel ik er uiteraard naar streef geen onzin te beweren, probeer ik de al eeuwen gecanoniseerde teksten zo onbevangen mogelijk te benaderen. Er bestaat voor mij geen principieel verschil tussen Catullus en Nachoem Wijnberg, tussen Xenophon en Nanne Tepper.’ Die opvatting leidde ertoe dat er in Niets dan dit (2023) – terecht – te midden van louter grote namen een motto van Bob Dylan werd opgenomen, maar in eerder werk dook op onverklaarbare wijze ook een keer een verdwaald citaat van de Rolling Stones op. Omdat Piet Gerbrandy volstrekt eigenzinnig is, wil hij in zijn keuzes, ook als recensent, weleens doorslaan, maar over het algemeen pakt het voor de lezer positief uit.
Gerbrandy blikt in het prachtige en ontroerende gedicht ‘In Gerbrandy’, in de afdeling ‘Ontzeggingen’, waar hij zich verhoudt tot Hölderlin, Kopland, Verlaine, Willink, Horatius en Leopold, terug op zijn bundel uit 2001: De zwijgende man is niet bitter. Die zwijgende man is dat 25 jaar later nog steeds niet, als we de ik mogen geloven: ‘De zwijgende man werd nog stiller gedempter / maar bitter – nee dat zat er nooit zo in.’ Terugblikken deed hij in het nawoord van Voegwoorden (2015), zijn tot dan toe verzamelde verzen, ook al. In dit satirische stuk ‘Weemoedig en zonder wrok’, een knipoog naar zijn bundel Nors en zonder haten (1999), met als ondertitel ‘de futiele existentie van Piet Gerbrandy’, neemt hij zichzelf geweldig op de hak en het is dan ook ronduit hilarisch, maar volstrekt anders van toon dan het gedicht ‘In Gerbrandy’. Waar Gerbrandy in het gedicht als goedmoedig, zachtaardig en zwijgzaam naar voren komt, is ‘Weemoedig en zonder wrok’ bijtend en sarcastisch: ‘Hij had er, maar geldt dat niet voor ons allen, net zo goed niet kunnen zijn’ en: ‘Al vroeg schreef hij poëzie, die terecht ongepubliceerd bleef’. Het is een groot geluk voor de lezer dat hij sindsdien driftig door blijft publiceren.
Æde de Jong
Piet Gerbrandy – Ontzettingen. Met tekeningen van Anne van Herreweghen. Uitgeverij P, Leuven. 56 blz. € 19,50.
