Een biografie met gaten

Atte Jongstra verslikt zich in Leo Vroman

Het zal weinigen zijn ontgaan dat onlangs Atte Jongstra’s 998 pagina’s tellende biografie van Leo Vroman verscheen in de reeks Open Domein bij de Arbeiderspers. Naar aanleiding van Inkt, bloed & liefde; Leo Vroman (1915-2014) waren alleen al in Trouw, NRC en de Volkskrant uitvoerige interviews te lezen met Jongstra, opgesierd met paginagrote foto’s van de biograaf (en geen of piepkleine foto’s van zijn onderwerp). Ooit werd het interview in de krantenwereld beschouwd als een gemakzuchtige en alleen in uiterste noodzaak te hanteren journalistieke vorm, maar dat is lang geleden. Niettemin zal dit even door het hoofd van de lezer hebben gespeeld, omdat in al deze drie interviews doorschemerde dat de interviewers nauwelijks een blik hadden geworpen in het boek.

Hadden ze dat wel gedaan, dan was het ze immers niet kunnen ontgaan – zoals het niemand die dit boek openslaat kan ontgaan – dat er naast veel moois (vooral over de jeugdjaren van Vroman) ook veel jammerlijks valt te beleven. Daartoe behoren de soms paginalange overnames uit artikelen of interviews van anderen, waarbij de grenzen van zowel de relevantie als het citaatrecht wonderlijk ruimhartig zijn opgevat, de verbazingwekkende typografische uitglijders, de merkwaardige lacunes in het onderzoek naar Vromans oeuvre, en een zonderling gebrekkig nawerk van meer dan 200 pagina’s.

Wie dit boek doorbladert, ziet bijvoorbeeld ogenblikkelijk dat in het zetsel veel gesmokkeld wordt met het aantal regels per pagina, terwijl na pagina 750 de typografie helemaal ontspoort, hetgeen uitmondt in acht achtereenvolgende pagina’s met hoerenjongen (laatste woorden van een alinea bovenaan een pagina), wier oogverblindende eenzaamheid nog wordt verergerd omdat ze allemaal worden gevolgd door witregels. Dat dit precies de pagina’s zijn waarin het overlijden van Vroman met een uiterst moderne gedetailleerdheid wordt beschreven, maakt het alleen maar pijnlijker.

Nog navranter is de zwakte van de 3045 noten, de 2 pagina’s ‘Werk van Leo Vroman’ en de 15 pagina’s ‘Bronnen’. Het notenapparaat is gezien de dichtende bioloog Vroman toepasselijk benoemd als ‘Mycelium’, het netwerk van alle draden van een schimmel, maar blinkt vooral uit door talloze herhalingen van dezelfde verwijzingen onder elkaar. De navolgende lijst met ‘Werk van Leo Vroman’ is bizar gebrekkig en onbruikbaar. Niet alleen is bij geen enkele uitgave de uitgever vermeld, maar ook wordt bij geen enkele titel vermeld of het gaat om een reguliere uitgave dan wel om een bibliofiele uitgave, waarvan er zovele zijn verschenen. Bovendien staan lang niet alle bibliofiele uitgaven van de poëzie van Vroman in deze lijst. Zo ontbreken Vier manieren uit 1973, Oude flessen waarin planten groeien uit 1979, Oorlog uit 1982, Verschapen? uit 1985, Brooklyn responsorium (met Cees Nooteboom) uit 1990 en ook Atalanta en ik uit 2004, een hommage van Vroman aan de Atalanta Pers, waar talrijke van zijn bibliofiele uitgaven verschenen (de lijst met ontbrekende titels is langer dan hier kan worden opgesomd). Daarbij vergeleken is het klein bier dat Jongstra niet vermeldt (zoals wel op de omslagen van deze boeken gebeurt) dat Fabels van Leo Vroman uit 1962 en Almanak uit 1965 tekeningen bevatten van Peter Vos en De mooiste gedichten uit Hollands Maandblad uit 2006 tekeningen bevat van Iris Le Rütte, de Amsterdamse kunstenares met wie Vroman een uitgebreide email-corres­pondentie onderhield – geen van beiden wordt genoemd in dit boek.

Dan naar de afdeling ‘Bronnen’. Hierbij staat een lange lijst ‘Websites’ genoemd, waaronder https://en.wikipedia.org, www.wikipedia.org, www.youtube.org, www.autosnelwegen.nl, maar gek genoeg niet de Nederlandse wegpagina’s met de meeste informatie over het oeuvre van Vroman, zoals de door Mats Beek samengestelde pagina www.schrijversinfo.nl/vromanleo.html en de van data overlopende site https://nederlandsepoezie.org/dichters/v/vroman.html (in 2012 opgericht door Bart FM Droog en thans van de Stichting Poëziecentrum Nederland). Met twee kliks met de muis had Jongstra hier vrijwel alle informatie kunnen vinden die nu ontbreekt in zijn lijst met ‘Werk van Leo Vroman’.

Tevens is er in de afdeling ‘Bronnen’ een opsomming van geraadpleegde ‘Periodieken’, waaronder Hard gras, Nederlandsch Kruidkundig Archief en Tijdschrift voor Vredespsychologie, die niet zijn terug te vinden in de index, alsook Hollands Maandblad, dat in de tekst diverse keren wordt genoemd, maar in de index slechts één vermelding krijgt als Hollands Week- en Maandblad. Dit laatste is de eerste aanwijzing dat Jongstra, die schrijft dat Vroman sinds 1960 ‘zo ongeveer stermedewerker’ en ‘huisvriend’ van Hollands Maandblad was, dit literaire tijdschrift, waarin Vroman bijna 200 gedichten publiceerde, waarvan de laatste in de week van zijn overlijden verscheen, helemaal niet heeft doorgenomen.

De tweede aanwijzing is de lijst van geraadpleegde ‘Literatuur’. Hierin ontbreken toch al tal van interessante publicaties over Vroman, zoals het commentaar van Gerrit Komrij op twee van Vromans gedichten in zijn Tussen hemel en aarde uit 2013, Ed. Hoorniks ‘Kanttekeningen / Leo Vroman’ in Over en weer uit 1962, Tomas Lieskes ‘Poëziekroniek: Leo Vroman’ in Tirade (nr. 324, september/oktober 1989), en Tom van Deels (die wel veelvuldig als krantenrecensent wordt genoemd) essay ‘Geen wankelende vaas valt ooit aan willekeurige stukken; Over Leo Vroman als grensoverschrijdend kunstenaar’ in De troost van de vorm uit 2008, en dan missen hier ook publicaties die wel in de tekst worden genoemd, maar niet in deze literatuurlijst staan, zoals de volgens Jongstra ‘borende’ dissertatie van ‘Vromankenner’ Ben Peperkamp (Over de dichtkunst; Interpretatieve en literair-historische beschouwingen over een programmatisch gedichte van Leo Vroman uit 1995) en de kritische beschouwing van Huub Oosterhuis ‘Poging tot Leo Vroman’ (Streven 1961-1962: 684-685). Wat echter bovenal in het oog springt, is dat van alle stukken die in Hollands Maandblad verschenen over Vroman geen enkele wordt genoemd.

Nu ja, alleen het eerste deel van het essayistisch drieluik dat K.L. Poll in HM aan Vroman wijdde, staat vermeld, maar dan met een onvolledige titel, een onjuiste jaargang en zonder volledige referentie naar tijdschriftnummer en pagina’s (dat is dan weer consequent, want bij geen enkel artikel uit een tijdschrift, bundel of krant in deze literatuurlijst staan de pagina’s vermeld). Jongstra heeft blijkbaar deel II en III van Polls drieluik nooit gezien, net zomin als Hans van den Berghs (postuum gepubliceerde) essay ‘Goddelijke aardsheid. Over de poëtica van Leo Vroman’ (HM 797, april 2014: 31-33), of Alain Teisters ‘Het inktspoor van de fabeldichter’, (Hollands Weekblad 184, 12 december 1962: 12-14, of Dick Hillenius’ ‘Het ontwenningsmechanisme’ (HW 79, 16 november 1960: 10-13, noch diens ‘Een liefhebbend godje’ (HM 278, januari 1971: 33-34, noch Henk Rademakers ‘Poëzie voorbij het surrealisme; Leo Vroman en het “in vivo experiment”’ (HM 801-802, augustus-september 2014: 27-32, noch Ronald Spoors ‘Een onbekend gedicht van Leo Vroman’ (HM 837-838, augustus-september 2017: 39-42) over de vondst van een vroeg gedicht van Leo Vroman in het Leidse studentenblad Instituutsbladen, dat dus helaas ontbreekt in deze biografie.

In dit perspectief wekt het geen verbazing meer dat Jongstra geen weet heeft van het in memoriam door Maarten Biesheuvel (‘Lieve Leo, 24 (sic) februari 2014’, HM 796, maart 2014: 3), noch van de gedichten ter nagedachtenis van Vroman door Antoine de Kom (‘het is hier druk vandaag’; Leo Vroman 1915 – Dallas/Fort Worth Airport Delta Skylounge 8 May 2014’ en ‘Have you ever’ (Leo Vroman 1915 – over the Atlantic on Air France 10 May 2014’ in HM 805, december 2014: 9-10) en door Iris Le Rütte (‘Voor Leo’, HM 796, maart 2014: 25-26).

Geen wonder derhalve dat de prozastukken van Vroman in Hollands Maandblad ook geheel en al aan Jongstra voorbij zijn gegaan (zoals die over sport en over zijn favoriete lied ‘Shenandoah’, gezongen door Paul Robeson), en evenzo de gedichten van Vromans echtgenoot Tineke (onder haar pseudoniem Georgine Sanders in 2008 en 2009 (alles in een oogwenk op te zoeken in het online register van Hollands Maandblad). Het is zelfs enigszins pijnlijk dat Jongstra geen woord wijdt aan de gedichten waarmee Vroman in Hollands Maandblad in de drie jaren voor zijn overlijden vrijwel maand voor maand zijn gedachten en gevoelens over zijn naderende einde in poëzie verwoordde. Vroman hechtte bijzonder waarde aan deze laatste tekenen van leven, net zoals hij uitermate in z’n nopjes was met de nergens in de tekst genoemde bundel De mooiste gedichten uit Hollands Maandblad. Dit met tekeningen van Iris Le Rütte verluchtigde, door Steven Boland vormgegeven en door Nieuw Amsterdam luxueus uitgegeven boek (dat werd tentoongesteld in het Stedelijk Museum als een der ‘mooiste boeken van 2006’ en met zeven snel achtereen verschenen drukken ook een publiekssucces was), achtte Vroman ‘een van mijn mooiste cadeaus’ en een belichaming van zijn bijzondere band van meer dan een halve eeuw met Hollands Maandblad.

Inkt, bloed & liefde biedt zeker een niet onaardig beeld van het leven van Vroman. Jongstra heeft ruim kunnen putten uit materialia en emails van Vromans dochters en hij heeft blijkbaar uitvoerig gebruik gemaakt van Delpher om stukken uit kranten en tijdschriften te achterhalen, die soms vrijwel geheel worden geciteerd. Maar hoe iemand zes jaar lang aan een biografie van Vroman kan werken zonder de twee belangrijkste websites over Vroman aan te klikken, zonder het archief van Hollands Maandblad te raadplegen, laat staan zonder het online register van HM te bezoeken en de daarin vermelde Vromaniana te lezen, is een raadsel gehuld in een enigma, verpakt in een mysterie. Dit, tezamen met al de andere genoemde tekortkomingen, maakt dit boek, waarin heus ook veel aardigs is te vinden, tot een bij uitstek eigentijds letterkundig product: veel ego en subsidie, weinig acribie en redactie.

Bastiaan Bommeljé

(foto boven, screenshot uit vraaggesprek bij Nieuwsweekend over de biografie.)