Recensie: Geerten Meijsing – R.I.P. Gissing
Geraakt door Gissing
De voorlaatste roman van Geerten Meijsing, Siciliaanse Vespers, verscheen in 2007. Sindsdien verkondigde hij in vrijwel elk interview dat hij nog zeker vier boeken wilde publiceren of zelfs al op de plank had liggen: een roman over Frederick Rolfe getiteld Anderzijds/Eindtijd, een boek over literaire heldinnen, een boek over wellevendheid en een roman over George Gissing. Iets later kwam daar een boek over zijn voormalige Joyce & Co.-compagnon Keith Snell bij, De zaak Kanger. Geen van de boeken verscheen tot op heden.
Het idee voor de roman over Gissing dateert (minimaal) uit de jaren negentig en werd in 2003 aangekondigd met een voorpublicatie in Vrij Nederland, ‘Hoe de schrijver stierf’. De tekst werd geafficheerd als ‘kerstverhaal’ – Gissing stierf eind december 1903, Meijsings verhaal verscheen in december 2003. Volgens de begeleidende tekst ging het om ‘een sterk ingekorte versie van het tweede hoofdstuk uit R.I.P.’ Bij een herdruk van het verhaal in 2010, in een bundeltje genaamd Het Gissing-syndroom, vermeldde de bezorger droogjes dat die roman ‘tot op heden nog niet verschenen’ was.
Sinds 2007 publiceerde Meijsing, naast een karrenvracht aan kleinere publicaties, vooral herdrukken en bundelingen van brieven. Met dat laatste was niets mis, al moet worden gezegd dat het eind 2024 verschenen Het gewicht van woorden. Brieven aan mijn uitgever niet echt interessant was voor een groot publiek. Maar nu heeft tegen alle (of in ieder geval: mijn) verwachtingen in R.I.P. dus toch het levenslicht gezien, drieëntwintig jaar na de eerder genoemde voorpublicatie en meer dan dertig jaar na de eerste oprispingen.
De victoriaanse schrijver George Gissing is een oude liefde van Meijsing. Zelf vertaalde hij in 1989 Gissings The Private Papers of Henry Ryecroft, zijn roman De grachtengordel (1992) was losjes gemodelleerd naar Gissings New Grub Street – hetgeen in het nawoord van de schrijver bij de herdruk uit 2020 nog eens werd benadrukt. Gissing wordt regelmatig genoemd in de boeken van Meijsing, met name diens autobiografische reisroman By the Ionian Sea (1901).
Ik was sceptisch over die ‘nieuwe Meijsing’ en dat is mogelijk ook een deel van de reden dat R.I.P. Gissing me niet tegenviel. Een eerste opmerking wil ik maken over de aanduiding ‘roman’ op de Franse pagina van het boek. Een roman is R.I.P Gissing beslist niet. Het betreft duidelijk een autobiografische beschouwing, opgehangen aan de schrijver Gissing. Ook de beschrijving van de uitgever (‘Een jonge schrijver ontdekt het werk van de laat-victoriaanse auteur George Gissing. Een bron van inspiratie, denkt hij. Maar tot zijn ergernis merkt hij dat zijn leven veel overeenkomsten begint te vertonen met dat van de mysterieuze Gissing’, en zo verder) zet de lezer op het verkeerde been. Het gaat juist om de oudere schrijver Geerten Meijsing die terugkijkt. Op een enkele uitzondering na zijn vrijwel alle genoemde schrijvers, plaatsen, boektitels en feiten conform de realiteit.
Meijsing had, met name in zijn latere werk, nogal eens de neiging om uiterst pedant uit de hoek te komen. Dat weet hij in dit boek, zeker in het begin, enigszins te vermijden. Gaandeweg zijn betoog kan hij zich wat minder inhouden en komen we weer zinnen tegen als ‘De Italiaanse man draagt ’s zomers geen kousen’ of ‘hoe kan iemand ooit denken te beginnen met schrijven als hij de indelingen en regels van de klassieke retorica niet onder de knie heeft?’ Wellicht mis ik de ironie, maar voor mij werkte het uitstel van die pedanterieën voordelig.
R.I.P. Gissing gaat over (voor zover men dat kan zeggen) de oudere schrijver Geerten Meijsing die een beschrijving geeft van wat hij noemt ‘het Gissing-syndroom’, aan de hand van een zeer uitgebreide terugblik op Gissings leven en werk. Daarbij koppelt hij de thema’s en rode draden daaruit aan zijn eigen leven en carrière als schrijver. Twee zaken krijgen met name aandacht: het verdienen van geld en de bijbehorende voortdurende angst om aan de bedelstaf te raken; en de rol van de vrouw. Beide facetten worden nogal eens anders uitgelegd, het tweede facet bijvoorbeeld als ‘dat Gissing vrouwen tegelijk idealiseerde en verachtte’ maar ook als ‘dat de seks beter is met meisjes beneden je stand’.
De terugblik op Gissings leven en werk, en dat is mijn belangrijkste punt van kritiek, gaat gepaard met een wel heel erg grote hoeveelheid vertaalde citaten, beschrijvingen, essayistische uitweidingen en het navertellen van biografische gegevens. Zelf had ik recentelijk nog de Gissing-biografie van John Halperin gelezen en was ik dus met de meeste namen en titels al bekend. Of dat een nadeel of een voordeel is kan ik niet beoordelen, maar ik vraag me sterk af of het voor niet bovenmatig in Gissing geïnteresseerde lezers – en dat zullen er velen zijn – niet allemaal een beetje te veel is. Vooral de ellenlange citaten wekten bij mij een neiging tot doorbladeren op.
Dat gezegd hebbende valt er veel te genieten voor de (eveneens grote) groep lezers die juist in Meijsing geïnteresseerd is. Verschillende gebeurtenissen die in aangepaste vorm in zijn romans zijn beland, worden teruggebracht tot hun oorspronkelijke vorm. Het meest sprekende en schrijnende voorbeeld is het verhaal rond Layla, Lily uit Dood meisje (2000). Dat verhaal was al grotendeels uit de doeken gedaan in Brieven aan Nanne Tepper (2016) maar krijgt hier veel meer vorm. Ook past het natuurlijk helemaal in Meijsings Gissing-syndroom, waarbij het overigens opmerkelijk is dat daarvan al sprake was nog vóór Layla ten tonele verscheen.
Bij Meijsings stijl in R.I.P. Gissing (uitgever: ‘zijn stilistische brille en ongeëvenaarde gevoel voor drama’) kan men vraagtekens zetten. Neem een zin als de volgende: ‘En veel van de vrienden die ik nog heb, zijn, het is vreemd om te zeggen, nog een paar jaar, vaak meer dan tien, ouder dan ik, en ik ben, bijna letterlijk als de dood, dat van die vrienden de een na de ander me zal ontvallen, zoals de waarschijnlijkheid gebiedt.’ Is dit stilistische brille, typisch Meijsing of gewoon een slecht geformuleerde zin? Daarnaast hangt er hier en daar een zweem van AI rond de tekst. “Een openslaande deur doet met de zucht van een windvlaag de vlam flakkeren’, dat is een clichématige formulering en zeker geen stilistische brille.
Meijsing: ‘Doorgaans hebben we het idee dat een kunstenaar steeds beter greep krijgt op zijn materiaal, en dat hij een ontwikkeling doormaakt, van goed via beter naar best.’ In zijn eigen geval is dit zeker níét aan de orde, de greep op het materiaal lijkt soms zoek. De vraag of dit erg is, is een tweede. We zien de, op zich interessante, worsteling met het materiaal door een schrijver die graag wil maar niet meer kan. In die zin is dit boek een typische ‘late’ Meijsing: het schiet alle kanten op en maakt de indruk in het verlengde te liggen van de kleinere publicaties van de laatste twintig jaar, vaak uitgebracht in beperkte oplage. Wat niet helpt, is een aantal herhalingen in de passages over Gissing. Daarnaast zijn er hier en daar duidelijk redactionele ingrepen gedaan, waardoor volgordes niet meer helemaal kloppen. Wat evenmin helpt, maar wel weer typisch is, is dat er ineens drie eindnoten opduiken in een tekst die verder alleen voetnoten heeft.
In het op een na laatste hoofdstuk van het boek lijkt Meijsing afscheid te nemen van zijn lezers. Nogmaals vermeldt hij de projecten die nog zouden moeten komen, ‘ik loop al tientallen jaren rond met, en heb al honderden bladzijden van een aantal boeken dat ik nog moet schrijven. Ik voel de noodzaak om eerst alles op te schrijven wat ik nog te zeggen heb, zoals over mijn eerste liefde, een boek over wellevenskunst, de zaak-Kanger, en dan kan ik eindelijk Anderzijds/Eindtijd uit handen geven, of achterlaten voor postume publicatie’. Of die projecten er nog komen, is maar zeer de vraag. Wat mij betreft zou R.I.P. Gissing een mooi slotakkoord zijn.
Jack van der Weide
Geerten Meijsing – R.I.P. Gissing. De Arbeiderspers, Amsterdam. 360 blz. € 26,99.

