Recensie: Cees Nooteboom – Naar de wereld, in de wereld, uit de wereld. Dagboeken 1996-2006
In de wereld geworpen
Naar de wereld, in de wereld, uit de wereld… je zou de titel van het tweede deel van Cees Nootebooms dagboeken kunnen lezen als de korte beschrijving van wat een mensenleven is, een gedachte die zich des te sterker opdringt nu de auteur in februari van dit jaar op 92-jarige leeftijd overleed. Als elfjarige Haagse jongen, die in 1945 zijn vader verloor bij het geallieerde vergissingsbombardement op het Bezuidenhout, had hij al stappen naar de wereld gezet: hij was ondergebracht in de provincie, het was hongerwinter. Hij zat op kostscholen in Venray en Eindhoven, zijn eerste baantje was bij een bank in Hilversum. Als man was hij duidelijk in de wereld, debuterend en later befaamd en veel vertaald schrijver, vanaf het begin behept met een enorme reislust. En na zijn overlijden is hij uit de wereld, hoewel zijn boeken en daarmee zijn gedichten, zijn verhalen, zijn gedachten nog altijd in de wereld zijn.
Een ander boek van Cees Nooteboom heet: Waar je gevallen bent, blijf je (1983), maar als er één iemand is die niet is gebleven waar hij is gevallen, is het wel Cees Nooteboom. De titel is ontleend aan een gedicht van de Hongaarse dichter János Pilinszky (1921-1981) dat als motto aan de tekst voorafgaat:
Want waar je gevallen bent, blijf je.
In het hele universum is dit je plaats.
Alleen maar deze ene plek.
Maar die heb je helemaal van jezelf gemaakt.
Deze ene plek… dat is in het geval van Nooteboom dus niet minder dan de hele wereld, en bepaald niet, of niet alleen, Den Haag, waar hij in 1933 toevallig werd geboren, of is gevallen.
Martin Heidegger stelde het driester, want hij liet aan dat vallen een worp voorafgaan. Een worp door wie of wat? De mens is in de wereld ‘geworpen’ zonder erom te hebben gevraagd, in zijn eigen specifieke tijd en context. Jean-Paul Sartre zei het hem na: we kiezen niet waar of wanneer we worden geboren, we moeten ons er bij neerleggen dat dit zo is. Of niet.
In Rituelen (1980), de roman van Cees Nooteboom die hem een wereldster maakte, laat hij Arnold Taads zeggen:
‘Als Sartre zegt, de mens is op de wereld gegooid, hij is alleen, er is geen God, wij zijn verantwoordelijk voor wat we zijn, wat we doen, dan zeg ik ja.’
Nooteboom heeft de verantwoordelijk voor wat hij was en wat hij deed ten volle genomen, zoveel is zeker. Hij heeft van de hele wereld een plek helemaal van hemzelf gemaakt.

Daarvan getuigt Naar de wereld, in de wereld, uit de wereld dat de jaren 1996-2006 beslaat. In 2023 verscheen al een eerste deel: De danser en de monnik (1970-1995), het nieuwe deel bestrijkt de periode waarin Nooteboom op de toppen van zijn roem verkeerde, waardoor hij over de hele wereld werd gevraagd congressen bij te wonen, lezingen te geven en vertalingen van zijn werk te presenteren. Dan woonde hij, als het daar van kwam, ook nog zowel in Amsterdam als op Menorca. Je zou je bijna gelukkig prijzen niet Cees Nooteboom te zijn, zo rusteloos als zijn bestaan zich in zijn eigen woorden voor je ontvouwt:
Parijs. Trachten terug te denken: Roermond, Hasselt, Luik, Düsseldorf, Amsterdam, Innsbruck, München, Boedapest, Amsterdam, München, Berlijn, Bad Segeberg, Amsterdam, Parijs. En daar tussenin Kyoto, Tokio – alles is vijf weken. (27 november 1996).
De notities zijn wel vaker opsommingen:
Signeren bij Athenaeum. Zo’n 70 boeken, geen hype-effect. Connie Palmen, later meegegaan met Ellen en Emile, thuis gegeten, ook Hans v. Mierlo, 8 flessen wijn boven op de fantastische marc de bourgogne die Johannes v. Dam al in Athenaeum meegebracht had. (1 november 1998).
Lezing Berkely, Dutch Department. Johan Snapper, Herlinde Spahr, Manfred Wolf. Daarna met Frits op de pier gewandeld, gegeten oesters. (16 maart 2002).
Twee uur ’s nachts langs de Autobahn, Raststätte Hirschberg. Vanavond opgetreden in Dresden met drie dichteressen, 1 uit Oekraïne, 1 uit Ierland (Gaelic), 1 uit Letland. Gisteren geslapen in Friedewald, tussenstop tussen Petershagen en Dresden, morgen op weg naar Ravensburg. (7 juni 2005).
Tussen al dit heen-en-weer-gesjees door is Nooteboom nog vaak in Amsterdam. Op 11 december 2002 memoreert hij (als hij ‘in de lucht’ onderweg is naar Barcelona) een avond van de Herenclub twee avonden eerder: ‘Harry [Mulisch] met van de laatste tijd bekende samengeknepen oogleden als hij probeert zich te concentreren op wat je zegt. Later pas bemerkt dat hij aangeschoten was – de wijn dondert bij hem zo naar binnen.’ Op weg naar huis rijden Mulisch en Nooteboom mee in de auto van een ander lid van de Herenclub. Mulisch vraagt ‘plotseling te stoppen. “Ik moet pissen.” ‘Dat kan hier niet.” “Maar het moet.” Wij zagen het betroffen aan – tegen de muur, als de eerste de beste wildplasser in de van Baerle.’
Van 1996 tot 1998 werkte Nooteboom over de hele wereld aan zijn grote roman Allerzielen, een omvangrijk en ambitieus werk waarmee hij zich nadrukkelijk leek te willen scharen in de grote Europese literaire traditie. De bezorger van de dagboeken, tevens zijn Franse vertaler, merkt op dat Nooteboom teleurgesteld was over de ontvangst in Nederland. Op 5 augustus 1996 noteert Nooteboom: ‘Wantrouwen tegen Allerzielen.’ Wat bedoelde hij daarmee? Had hij zich een onmogelijk project op de hals gehaald, wantrouwde hij zijn eigen motieven? Een maand later schrijft hij: ‘Allerzielen, langzaam, langzaam.’
Nog op 8 september 1998, ruim een maand voordat de roman verscheen: ‘proeven van Allerzielen. Toch weer van alles gevonden, ongerijmdheden. Gewetenloze oplossingen gevonden. Nu weg, grote opluchting, en tegelijkertijd een gevoel van falen, toch weer niet zo geworden als het beeld dat voorzweefde’. In Boedapest noteerde hij op 8 november 1998 over de signeersessie bij Athenaeum, een week eerder: ‘Zo’n 70 boeken, geen hype-effect.’ De recensie van Arnold Heumakers, op 23 oktober in NRC, noemt hij stompzinnig. Heumakers had geschreven dat Nooteboom alleen maar geheimzinnig doet om ‘een in wezen triviale waarheid te versieren en te maskeren.’ Wat fijn om dan in 2001 een Duitse briefschrijver, een ‘Dr.’ nog wel, te kunnen citeren die spreekt van ‘die grösste Prosadichtung der letzten Jahrzehnte’.
Volgen nog veel meer jaren van onvermoeibaar over de aardkloot heen en weer vliegen, met af en toe een langer verblijf op Menorca of in Amsterdam. Tijdens dat reizen wordt er gelezen en geschreven. In Rotterdam bijvoorbeeld: ‘eerste deel van stuk geschreven’. Gelukkig hebben we bezorger Philippe Noble om dit soort cryptische opmerkingen en de vele opsommingen en verwijzingen in voetnoten te verhelderen. Vermoedelijk ging het om een artikel over Rotterdam Culturele Hoofdstad (2001).
In zijn voorwoord laat Noble weten: ‘In 1998-1999 wordt de ouder wordende schrijver verrast, verrukt en (vooral) verontrust door een kortstondige, maar stormachtige affaire.’ Het blijkt te gaan om een Amerikaanse vriendin die in het register wordt aangeduid met M. Nooteboom refereert zo’n zestig keer aan haar. Op 25 september 2001: ‘Borrel met M. bij Deux Magots. Week van de vroegere liefdes […]. Alsof ik al dood was en nog eens terugkeer.’
In de dagboekaantekeningen komt ook een X. voor. Op 30 november 2002 noteert Nooteboom: ‘Met X. het dubbele compromis, het hare en het mijne: weigering van passie – Met M. destijds de laatste hartstocht […].’ Dit laat Noble zo cryptisch als het er staat. X. blijft X. Zitten we toch nog met een mysterie.
Frank van Dijl
Cees Nooteboom – Naar de wereld, in de wereld, uit de wereld. Dagboeken 1996-2006. Bezorgd door Philippe Noble. Koppernik, € 39,90.
Foto Simone Sassen.
