Zorg voor de natuur

De voorkant toont een vrouw vervlochten in een boomstam. Als een houtsnede in Jugendstil-stijl met organische vormen, bruinrood op zwart. De vrouw lijkt één met de boom, alsof zij gezamenlijk niet twee maar een wezen zijn. Toepasselijker kan deze mooie, stemmige voorkant niet zijn voor het verhaal dat het verbergt. Het zuchten van bomen, de derde roman van antropoloog en onderzoeksjournalist Roanne van Voorst gaat over de relatie van mensen met bomen en heeft als vertrekpunt het perspectief van een beukenboom. Dat is bijzonder: kunnen we ons wel verplaatsen in de geest van een boom? Dat dit helemaal niet vreemd is, weten we van de grote hoeveelheid wetenschappelijke boeken die de afgelopen jaren verschenen over het leven van bomen en hun ondergrondse communicatie; hun verbinding met de planten en dieren om hen heen.

Op de eerste bladzijden laat Van Voorst de beuk tot leven komen. Het begint met een zaadje dat openbarst en door de grond naar boven klimt het licht in. Dan gaat de jonge struik groeien en dat gebeurt niet alleen naar boven, maar ook naar onderen, de grond in, waar de kiemwortel zich uitstrekt in de vochtige aarde. Daar stuit de wortel op voedingstoffen en andere organismen en boven de grond op licht, lucht, regen en vogels. Zo passeren een aantal jaren van verdere groei in de verschillende seizoenen, in kou en warmte, in droogte en overvloed en leren we het wezen van de boom in al zijn ‘boomheid’ kennen:

In het leven van de jonge beukenboom volgden weken van diepe, donkere stilte, waarin hij zich terugtrok in zijn hout en zich zachtjes heen en weer liet wiegen in de wind, en er waren maanden waarin zijn sappen aanzwollen en hij zich volledig uitstrekte in een ervaring die niet anders dan genietend kan worden genoemd: steeds weer nieuwe sprietjes staken uit knoestige stukken tak, bladeren pompten en ruisten, net zo lang tot ze begonnen te knisperen, net zolang tot ze vielen.

Jaren later begint de beuk niet alleen de geluiden en geuren van de planten en dieren om hem heen waar te nemen, maar ook die van een huis dat aan de bosrand staat. De geur van ui in een braadpan, het geluid van een espressoapparaat, het piepen van een waterleiding. Én het knerpen van grind wanneer de bewoners het huis verlaten of thuiskomen. Op een dag komt daar een nieuw geluid bij, dat hem herinnert aan krolse katten. Eerst reageert de boom met waarschuwingsstoffen, later ontspant hij bij het jankende geluid en weer jaren later bemerkt hij een nieuwe, ‘hogere, klaterende’ stem naast de twee die hij al kende. Tot het moment dat die stem naar hem toe komt en uitroept dat een van zijn takken precies goed is om een schommel aan te hangen. Zo ontstaat een diepgaande relatie tussen het betreffende meisje en de boom. Ze vertelt hem al haar gedachten, over haar ouders, ondergaat haar eerste zoen tegen zijn stam en verwijdert zich uiteindelijk ook: ze gaat psychologie studeren in de stad.

Van Voorst laat de boom reflecteren op de mensen – die hij ‘waterwezens’ noemt – om hem heen in relatie tot zichzelf, waardoor je een onverwachte blik op de mens krijgt. Via de boom kijken we onszelf in de spiegel:

De nieuwsgierigheid die het waterwezen naar onbekend gebied dreef, kende zijn soort niet. De menselijke wens tot het zoeken van zichzelf op vreemde plekken leek hem te passen bij die andere merkwaardige menselijke karakteristieken: bij het willen onderzoeken van wat nog niet bekend is, bij het vormen van een individueel bewustzijn, en de neiging tot het formuleren van opinies en wensen die daarbij hoorde. Daar deden bomen allemaal niet aan. Die zijn reactief, ze leven in wat is, niet in wat anders zou kunnen.

Een lesje levenskunst van een boom! Het verhaal vertakt zich en verplaatst zich steeds meer naar de mensen. We lezen over de teloorgang van het bos waar de beuk in staat. Steeds meer natuur verdwijnt er om de boom heen. Maar omdat hij op een gegeven moment de prijs voor de mooiste boom van het land krijgt, wordt hij lange tijd gespaard. We lezen ook over het verdere leven van het meisje en haar ouders die in hun werkende leven bosbouwer en biologe waren. Van Voorst verwerkt veel wetenschappelijke kennis over bomen in het verhaal en dat levert soms passages op die eerder naar een essay neigen. Toch stoort dat niet, omdat ze erin slaagt dit op een logische manier in haar verhaal te vlechten en te verbinden aan haar centrale thema, zorg voor elkaar:

Niemand in het gezelschap merkte iets op over de belangrijkste kwaliteiten van de eik: zijn eigenzinnigheid, die gereflecteerd werd in de knotsige knieën van zijn kromme, in elkaar gedraaide benen; zijn wijsheid, gebaseerd op honderden jaren ervaring, en het feit dat hij niet alleen leefde voor zichzelf maar ook voor de dieren en schimmels die met hem samenleefden of van hem aten. De evolutionaire geschiedenis van volwassen bomen zoals de eik vertelt één dominant verhaal van zorgen voor andere wezens […].

Het zuchten van bomen zou je een ‘relationele’ roman kunnen noemen. Verhalen waarin de personages meer bepaald worden door de relaties en verbindingen die zij aangaan met anderen, met media, met dingen, dieren en andere organismen, dan door hun eigen ideeën. Van Voorst laat met haar roman zien hoe we samen met de natuur een ecosysteem delen en afhankelijk zijn van elkaar. De mensen hebben ook geen namen, blijven ‘moeder’, ‘vader’ en ‘dochter’, net als de boom; de relaties zijn belangrijker. Van Voorst laat de volwassen dochter tegen het einde denken: ‘[…] drong tot haar door dat het zelf niet in afzondering kon bestaan, maar werd gevormd tussen haar en anderen’. Door de levensloop van een boom in de levens van een gezin te vervlechten in deze kleine, kalme, mooie roman, maakt Van Voorst dat eens te meer duidelijk.

Martijn Nicolaas

Roanne van Voorst – Het zuchten van bomen. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam. 144 blz. € 17,99.