Essay: Bart Slijper – Het bedrog van de Rijksdagbrand (1): De bruine pest
In zijn meest recente boek, Zwijgen is nu een misdaad (2026), laat Bart Slijper zien hoe Europese schrijvers tijdens de Eerste Wereldoorlog tegenwicht boden aan de oorlogspropaganda en de voortwoekerende haat. In dit panoramische verhaal horen we de stemmen van onder anderen Stefan Zweig, Romain Rolland, Marcel Proust, Roger Martin du Gard en Joseph Roth die, ieder voor zich of samenwerkend met de anderen, de waanzin bestreden. Hun vlammende teksten tegen de misleiding door politici en pers hadden ze net zo goed vandaag kunnen schrijven.
Waar de Eerste Wereldoorlog nog een min of meer normale oorlog was – zij het op ongekende schaal – leidde de opkomst van de nazi’s tot een hel die maakte dat vrijwel alle toonaangevende auteurs Duitsland en Oostenrijk ontvluchtten. In ‘Het bedrog van de Rijksdagbrand’, dat de komende dagen in drie afleveringen zal verschijnen, analyseert Slijper de reacties op de brandstichting in de Rijksdag: de bijtende commentaren van literaire schrijvers, de actieve inzet van Romain Rolland en het zogenaamde tegenproces in Londen. Het hierop volgende proces tegen de van brandstichting beschuldigde communisten, in Leipzig, culmineert in een bij vlagen hilarische titanenstrijd tussen Hermann Göring en de verbaal veel sterkere communist Georgi Dimitrov, die zijn eigen verdediging voerde.
Het bedrog van de Rijksdagbrand (1): De bruine pest
Meteen al in de maand na Hitlers machtsovername, dus in februari 1933, kreeg de Duitse politie door middel van noodwetten ongekende bevoegdheden om geweld te gebruiken tegen politieke tegenstanders van de nazi’s. Op 22 februari versterkte Göring de Pruisische politie met 50.000 paramilitairen uit de knokploegen van de SA, de SS en Stahlhelm, de organisatie van Duitse oorlogsveteranen.[1] De brandstichting in het Rijksdaggebouw, op 27 februari, werd door Hitler benut voor een complottheorie die de schuld bij de communisten legde, waarna hij in de Reichstagsbrandverordnung de grondwet met voeten trad, aangezien de strijd tegen de communisten wat hem betreft ‘niet afhankelijk moest zijn van juridische overwegingen’. Er volgde een golf willekeurige arrestaties van tegenstanders die, krachtens de nieuwe verordening, zonder gerechtelijk bevel voor onbepaalde tijd konden worden vastgezet. Het feit dat het Rijksgerechtshof te Leipzig, in een proces dat in het najaar van 1933 plaatsvond, geen verband vaststelde tussen de als brandstichter aangemerkte Nederlandse communist Marinus van der Lubbe en de Duitse communistische partij (de KPD) sterkte Hitler alleen maar in zijn afkeer van het juridisch systeem.[2]
Romain Rolland en Stefan Zweig hielden eind februari, begin maart 1933 zowat iedere dag contact. Het bericht van de Rijksdagbrand in Berlijn bereikte Rolland, die sinds 1914 in Zwitserland woonde, net toen hij zijn vriend in Oostenrijk weer wilde schrijven. ‘Het lijdt geen twijfel dat dit het werk is van provocateurs. In deze week voor de verkiezingen moet je op alles voorbereid zijn en alles vrezen.’[3] Hoewel de zaak nooit tot in alle details is opgehelderd, is het duidelijk dat hij gelijk had. Zo legde generaal Franz Halder tijdens het Proces van Neurenberg (1946) de verklaring af dat Göring in 1942 op het verjaardagsfeest van Hitler had opgeschept dat hij de enige was die de exacte toedracht kende, ‘want ík heb de brand aangestoken’. Het is wel zeker dat de nazi’s de tamelijk simpele Van der Lubbe slechts hebben gebruikt bij de brandstichting die hij, gezien het grote aantal brandhaarden, in elk geval niet alleen kan hebben uitgevoerd. Toen het gebouw brandde heeft men Van der Lubbe erin achtergelaten, om hem even later op heterdaad te kunnen betrappen.
Ook binnen Duitsland waren genoeg mensen die net als Rolland de opzet van de nazi’s meteen doorzagen. Hans Fallada, die op dat moment groot succes had met zijn het jaar ervoor verschenen roman Wat nu, kleine man?, was op 27 februari door zijn uitgever Ernst Rowohlt uitgenodigd voor een etentje samen met hun vrouwen. De negenendertigjarige Fallada had al een leven van verslaving en detentie achter zich en dreigde nu weer de commercieel zo belangrijke verfilming van zijn boek in de war te schoppen door zich tijdens de opnames overal mee te bemoeien, bang als hij was dat er van zijn roman een gladgestreken, slap verhaal werd gemaakt. Rowohlt wilde Fallada met dit etentje in het chique Berlijnse restaurant Schlichter vooral een goed gevoel geven en legde hem extra in de watten door ruime hoeveelheden Steinwijn en eau de vie te laten aanrukken. En inderdaad voelde Fallada zich ontspannen maar was, evenals zijn uitgever, bij de koffie al wel behoorlijk aangeschoten. Hun vrouwen hadden daarom alleen nog aandacht voor elkaar, totdat de kelner de eetzaal binnenstormde. ‘De Rijksdag brandt! De communisten hebben hem in brand gestoken!’ Waarop, zo gaat het verhaal, Fallada en Rowohlt meteen om de rekening vragen en een taxi bestellen. ‘We willen naar de Rijksdag,’ roepen ze. ‘We willen Göring helpen met vuurtje stoken!’ Het is aan hun echtgenoten deze baldadige mannen rechtstreeks naar huis te brengen.[4]
Logischerwijs waren de meeste Duitsers voorzichtiger of banger, of ze wisten gewoon niet wat ze ervan moesten denken. Daarbij leefde bij velen de angst voor communistisch geweld, al of niet vanuit Moskou gecoördineerd, waarop in de grootscheepse perscampagne die op de brand volgde uiteraard gretig werd ingespeeld. Volgens de schrijver en jurist Sebastiaan Haffner was het, zoals hij in 1939 schreef, de mensen nog niet eens kwalijk te nemen dat ze geloof hechtten aan de leugens van nazi’s. Maar:
Wat je hun wel kwalijk kunt nemen, en waarin zich voor de eerste keer in de nazitijd hun ontzettende collectieve karakterzwakte manifesteerde, is dat daarmee de kwestie voor hen was afgedaan. Dat men hun, iedere enkeling van hen, dat kleine beetje constitutioneel gegarandeerde persoonlijke vrijheid en waardigheid als staatsburger ontnam, alleen maar omdat er een brandje in de Rijksdag was geweest, dat accepteerden ze met een schaapachtige gelatenheid, alsof het zo moest zijn.
Haffner sprak collega’s die met een knipoog hun twijfel aan de officiële versie van de brandstichting uitten, maar niemand die het fout leek te vinden dat de autoriteiten voortaan je telefoongesprekken mochten afluisteren.[5]

‘De groteske en weerzinwekkende fraude rond de Rijksdagbrand,’ zo noteerde Thomas Mann op 27 maart 1933 in Lugano in zijn dagboek. Het dagboek begint pas op 15 maart en dit is zijn eerste aantekening over de brand, die precies een maand eerder plaatsvond. En hij vervolgde, op basis van een krantenbericht: de vermeende dader Van der Lubbe ‘zal naar het schijnt zonder proces “in het openbaar worden geëxecuteerd”. Een schaamteloze fraudemisdaad, waar iedereen van weet, wordt met ongebreideld geweld in de doofpot gestopt.’[6] Maar er komt wél een proces, er komen zelfs twee processen. Mann zal het schouwspel gefascineerd en verbijsterd volgen.
Het politieonderzoek was, zoals niemand zal verbazen, er geheel op gericht de schuld bij de tegenstanders van de nazi’s te leggen. Het was dus geen onderzoek. Het ging er alleen om ‘bewijzen’ te vervaardigen, andere te laten verdwijnen, en verdachten en getuigen te intimideren, om zo het materiaal te stroomlijnen voor beschuldigingen die onomstotelijk moesten aantonen dat de communisten achter deze brandstichting zaten. Op 9 maart waren er, naast Van der Lubbe, nog vier verdachten aangewezen en vastgezet: Ernst Torgler – hij was de voorzitter van de communistische fractie in de Rijksdag – en de Bulgaarse communisten Georgi Dimitrov, Blagoy Popov en Vasil Tanev, die (natuurlijk) geen van allen iets met de brand te maken hadden. Een van de vele schendingen van het Duitse recht was dat deze mannen vijf maanden lang geboeid en aan voeten gekluisterd in de cel zaten, zonder dat er ook maar aan één voorwaarde (bijvoorbeeld een vluchtpoging) voor een dergelijke behandeling was voldaan – het enige doel was hen mentaal te knakken. Thomas Mann zag dat scherp toen hij op 17 september 1933, een paar dagen voor het begin van het Rijksdagbrandproces in Leipzig, in zijn dagboek schreef: ‘Als Torgler “bekent”, wat makkelijk mogelijk is na een kuur van een half jaar, dan zal iedereen met communistenangst trouw zweren aan Hitler.’[7]
Maar de Hitler-regering had eigenlijk weinig zin in een rechtszaak en had er ook niet op gerekend dat het zover zou komen. Voor een regime dat eropuit was zijn tegenstanders gewoonweg te laten verdwijnen, betekende een proces vooral nutteloos oponthoud. Het doel van de brand was meteen al bereikt: een grote hetze tegen de communisten (en socialisten), die Duitsland en de hele wereld aan de rand van de afgrond zouden brengen. En aangezien er kennelijk een soort noodtoestand was ontstaan, konden willekeur, grof geweld en rechteloosheid worden goedgepraat. Maar de Rijksdagbrand, en vooral de naziterreur die prompt volgde, lokte in de hele wereld protest uit, veel heviger dat Hitler en Göring hadden voorzien.

Romain Rolland was een van degenen die voorop ging in de strijd. Als het mag is hij liever schrijver, als het moet meteen activist. Het was een tweede natuur van de man die tijdens de Eerste Wereldoorlog de Nobelprijs had gekregen voor Jean-Christophe, een romancyclus waarin hij zich uitsprak tegen het nationalisme. Slechts een paar dagen na de brand schreef hij ‘Contre le fascisme hitlérien’, een vurige oproep die op 15 maart 1933 in het tijdschrift Europe werd afgedrukt.[8] Hij constateert dat de ‘bruine pest’ in een paar weken tijd al tot meer misdaden heeft geleid dan de ‘zwarte pest’ (het fascisme van Mussolini) in tien jaar en beschouwt de Rijksdagbrand als een grove provocatie, waardoor niemand in Europa zich zal laten misleiden. Alsof Rolland op een zeepkist op het marktplein staat, zo hamert hij op zijn lezers in. ‘Wij veroordelen…’ En dan volgt een opsomming van de zaken die hij aan de kaak wil stellen: de officieel goedgekeurde misdaden in Duitsland, ‘de verstikking van alle vrijheid van meningsuiting en gedachte’, de arrestaties van de meest gerespecteerde mannen en, om het samen te vatten, ‘de opschorting van de fundamentele vrijheden en rechten, waarop de gehele moderne beschaving rust’. Hij besluit zijn stuk met een oproep aan alle schrijvers en alle woordvoerders, aan iedereen in Europa en Amerika om, ongeacht hun politieke richting, zich bij het protest tegen het Duitse terrorisme aan te sluiten.
Rolland is niet van plan zijn activisme alleen aan de schrijftafel te ontplooien, maar in deze rampzalige maartmaand moest dat even, want hij is ziek geworden, zodat hij een protestbijeenkomst moet missen. In elk geval levert hij een korte tekst, met open oog voor het lot van de slachtoffers van de nazi’s. ‘Laten we onze armen openen voor de vluchtelingen.’[9]
Op 5 april 1933 stonden de nazi’s vreemd genoeg toe dat Georgi Dimitrov vanuit de gevangenis een brief schreef aan de belangrijke Franse communistische auteur Henri Barbusse. Hij meldde dat hij twee dagen eerder door de onderzoeksrechter op de hoogte was gebracht van de aanklachten die, zo verzekerde hij Barbusse, ongegrond waren en hij besloot zijn brief met: ‘Breng alstublieft ook Romain Rolland op de hoogte van de toestand waarin ik mij op dit moment bevind.’ Dimitrov had Rolland in 1928 via Barbusse leren kennen, toen hij Parijs bezocht voor een bijeenkomst van een comité dat hulp bood aan de slachtoffers van de ultrarechtse terreur in Bulgarije en op de Balkan. Nog maar kort geleden, in augustus 1932, hadden de drie mannen elkaar opnieuw in Parijs ontmoet.[10]
Terwijl Rolland in Villeneuve onvermoeibaar doorschreef (een oproep aan de Duitse socialisten om de strijd aan te gaan en stukken tegen het racisme en antisemitisme), mobiliseerde de communistische mediamagnaat Willi Münzenberg vanuit Parijs zoveel mogelijk krachten om de ware toedracht van de Rijksdagbrand te onthullen. Münzenberg was Duitsland meteen na de brand ontvlucht, waarna de nazi’s prompt de bij zijn onderneming horende krantenredacties binnenvielen. Met zijn grote organisatorische kwaliteiten wist hij een aantal prominente kunstenaars, schrijvers en wetenschappers (waaronder Albert Einstein) te binden aan zijn Internationale Hulpcomité voor de Slachtoffers van het Hitler-fascisme. De diversiteit binnen het comité werd gewaarborgd doordat Münzenberg niet al te zeer de nadruk legde op zijn grote rol binnen het communisme, hoewel het natuurlijk ook helemaal niet gek was dat juist een communist aan de basis ervan stond.[11]
Een van de eerste taken van Münzenberg en de zijnen bestond uit het samenstellen van het Bruinboek van de Hitler-terreur en den Rijksdagbrand, een omvangrijke documentatie van de misdaden die in Duitsland plaatsvonden. Het Bruinboek verscheen begin augustus 1933 in het Duits en het Frans, en meteen daarna in twaalf andere talen. De uitgave kon, zoals G.W. Kernkamp in zijn voorwoord bij de Nederlandse editie schreef, de lezers ‘die hetgeen omtrent de toestanden in Duitsland werd verteld voor sterk overdreven hielden, of die bij voorbaat geneigd waren er niet aan te geloven, de ogen openen’.[12] Behalve een reconstructie van de Rijksdagbrand bevat het Bruinboek tal van getuigenissen, documenten en foto’s van door de SA begane wandaden met, onder veel meer, lijsten van hoogleraren en artsen die uit hun functie zijn gezet, schrijvers die moesten vluchten en personen die vermoord zijn. Naderhand is dit werk wel verdacht gemaakt – niet alleen door fascisten – als communistische propaganda en op sommige gedeelten valt best wat aan te merken, maar het overgrote deel van de onthutsende gegevens, die onder moeilijke omstandigheden werden verzameld, is degelijk onderbouwd.[13]
In het slothoofdstuk van het Bruinboek, getiteld ‘De wereld laat zich niet bedriegen’, zijn een aantal bijdragen opgenomen van bekende schrijvers, waaronder André Gide, Henri Barbusse, Egon Erwin Kisch, Ernst Toller én Romain Rolland. De aanleiding voor Rollands stuk was een artikel van 9 mei in de Kölnische Zeitung, waarin met verbaasde teleurstelling werd geconstateerd dat hij zich had aangesloten bij de ‘alle perken overschrijdende’ communistische campagne tegen de nationale regering van Duitsland. Hoe kan het? Juist Rolland, die ooit het geweten van Europa was en die Duitsland altijd goedgezind was geweest – onlangs nog toen hij had aangedrongen op een versoepeling van het vredesverdrag van Versailles. ‘Dat hij zich daardoor de haat van de Franse chauvinisten op de hals haalde deerde hem niet, want het ging hem om Europa en zijn hoogste cultuurgoederen, waarvoor hij een betere vrede bevocht. En juist omdat hij dit inzicht bezat, had hij ook voor de nationale regering begrip moeten tonen. Want slechts dankzij het vastberaden ingrijpen van deze regering bleef de bolsjewistische chaos Duitsland bespaard.’
Nou, dat wil Rolland graag ophelderen en aangezien zijn open brief uiteraard niet door de Kölnische Zeitung zou worden aanvaard, publiceerde hij hem op 15 mei in Europe en daarna in het Bruinboek. Het is waar, zo begint hij zijn brief, dat hij van Duitsland houdt en het altijd heeft verdedigd tegen de onrechtvaardigheden van het buitenland, met name tegen ‘de blindheid en de hartvochtigheid’ waarmee het land na de oorlog door het Verdrag van Versailles is vernederd. Maar het Duitsland dat hij liefheeft ‘is met voeten getreden, met bloed bezoedeld’. Denkt u echt, vraagt hij, dat ik een revisie van het Verdrag heb geëist ‘ter wille van een Duitsland dat zelfs de gelijkheid van de mensenrassen verkracht, ja, alle mensenrechten die ons heilig zijn’. En hij besluit: ‘Ik zal mijn sympathie voor Duitsland behouden, ondanks uw daden en in weerwil van u, mijn sympathie voor dat echte Duitsland, dat de schandelijkheden en de dwalingen van het Hitler-fascisme verafschuwt. En ik zal verder werken, mijn hele leven lang, niet voor het egoïsme van één enkel volk, maar voor alle verbonden volkeren.’[14]
Bart Slijper
[1] Behalve president van de Rijksdag (sinds augustus 1932) was Hermann Göring in de machtige deelstaat Pruisen minister van Binnenlandse Zaken en had in die functie de controle over de politie.
De SA (Sturmabteilung) was in 1921 opgericht als gewapende ordedienst van de NSDAP en telde begin 1933 al vele tienduizenden leden. Na 1934 moest de SA een groot deel van zijn macht afstaan aan de SS (Schutzstaffel), die onder leiding van Heinrich Himmler een sleutelrol speelde bij de nazimisdaden.
[2] Zie Michael Burleigh, Het Derde Rijk. Een nieuwe geschiedenis (vertaling Amy Bais, Bep Fontijn, Peter de Jong, Rob van Kan en Albert Witteveen), Amsterdam 2008, p. 165-173.
[3] Romain Rolland en Stefan Zweig, Briefwechsel 1910-1940, Berlijn 1987, deel 2, p. 499-501.
[4] Zie Uwe Wittstock, Februari 1933. De winter van de literatuur (vertaling Michel Bolwerk), tweede druk, Amsterdam [2024], Wittstock, p. 226-230.
[5] Sebastian Haffner, Het verhaal van een Duitser. 1914-1933 (vertaling Jacqueline Godfried, nawoorden Uwe Soukup en Oliver Pretzel), vierde druk, Amsterdam [2003], p. 119.
[6] Thomas Mann, Tagebücher 1933-1934 (editie Peter de Mendelssohn), [Frankfurt am Main 1977], p. 22.
[7] Een uitvoerige, heet van de naald geschreven reconstructie van het vooronderzoek is te vinden in Dimitroff contra Goering. Bruinboek II. Onthullingen over de werkelijke brandstichters van den Rijksdag, Amsterdam [1934], p. 15-86; Thomas Mann, Tagebücher 1933-1934, p. 181.
[8] Europe was in 1923 mede door Rolland opgezet.
[9] Romain Rolland, Quinze ans de combat (1919-1934), negende druk, Parijs 1935, p. 199-200.
[10] Zie Dimitre Tz. Bratanov en Svetlomir D. Bratanov, Romain Rolland et la Bulgarie (vertaling Georges Assen Dzivgov), Sofia 1970, p. 83.
[11] Zie Rolland, Quinze ans de combat, p. 200-204; Alexander Bahar en Wilfried Kugel, Der Reichstagsbrand. Wie Geschichte gemacht wird, [Berlijn 2001], p. 267-269.
[12] Bruinboek van de Hitler-terreur en den Rijksdagbrand, Amsterdam 1933, p. VII.
[13] Zie Bahar en Kugel, Der Reichstagsbrand, p. 269-274.
[14] Bruinboek van de Hitler-terreur en den Rijksdagbrand, p. 327-330; Rolland, Quinze ans de combat, p. 205-207.
(foto boven via Wikipedia, publiek domein; foto Rijksdagbrand, via Wikipedia, Bundesarchiv CC BY-SA 3.0 DE; foto Romain Rolland via Wikipedia, publiek domein)
