Column – Ontmoetingen: Twee keer Drs. P (2)
Twee keer Drs. P (2)
Op een vrijdagochtend, in de week dat ik bij de tandarts was, ontmoet ik dichter Jos Versteegen in het winkelcentrum bij ons om de hoek. Om zijn schouder een ouderwets linnentasje van een boekhandel waar ik nog nooit ben geweest. Fris geschoren. Natte haartjes. Hij laat me de inhoud van zijn tas zien. Bundels van Drs. P, eigen werk.
‘Drs. P was mijn leermeester,’ zegt hij.
‘Ik was nog student Nederlands toen ik Heinz Polzer voor het eerst ontmoette.’ We hebben zojuist in Le Pain Quotidien een cappuccino besteld. ‘Dat was in de jaren tachtig bij dichter Cees van der Pluijm in zijn Nijmeegse appartement. Ik zie Heinz nog zo aankomen rijden in een taxi vanaf het station, een gedistingeerde heer. Cees en Heinz waren meer dan vrienden, ook geliefden, al werd daarover nauwelijks gesproken. Dat hoorde ook bij Heinz, bleek toen ik hem beter leerde kennen: nieuwsgierig maar discreet, en met een ongekende behoefte aan ervaringen. Was hij in Japan, dan bezocht hij geisha’s, in Zuid-Amerika warmbloedige jongens. Ik denk dat hij mij wel aardig vond tijdens dat bezoek bij Cees. Een gewone jongen van de boerderij. Ik mocht hem mijn eerste gedichten toesturen, probeersels die ik gecorrigeerd weer retour kreeg. Ik wilde van hem de technische kant van poëzie leren. Hoe schrijf je nu een sonnet, hoe werken metrum en ritme? Heinz was daarin een meester. Eigenlijk hoopte ik via hem ook eens een tekst voor Adèle Bloemendaal te mogen schrijven, zoals Heinz al deed. Ik was een overmoedige jongen en had nog veel te leren.’
Jos legt twee boeken op tafel, Letterkundig verskwartet en Literair Assortiment.
‘Dat waren uitgaven samen met Driek van Wissen, Drs. P en Cees van der Pluijm. Cees en ik kozen voor een pseudoniem. Ik voor Jacob Steege, Cees, wat vilein, voor Paul Lemmens. Lemmens was in de jaren tachtig in Nijmegen een bekende, wat oudere homoseksueel met een enorme boekenverzameling. We deden telkens in vier gedichten een literair genre na, daar kwam het op neer, een streekroman in dichtvorm bijvoorbeeld.’
Ik blader door de bundel, ruik het oude papier. Dit is gezamenlijk spelen, plezier hebben. Uiterst serieus in de vorm, die moet kloppen, luchtig qua inhoud.
‘Er ontstond vriendschap tussen ons. Mijn eerste bundel Voorgoed volmaakt verscheen bij Vassallucci met vormvaste en minder vormvaste gedichten. Van de vormvaste gedichten heeft hij zeker gehouden. “De Javaanse tuinjongen”, een klassiek sonnet. We deelden onze band met Indonesië. Hij was in de jaren vijftig van Indonesië naar Nederland vertrokken, ik ging voor mijn studie naar Jakarta, had daar een prachtig stekje gevonden en drie bediendes, maar was doodongelukkig, heimwee! Sprak ik over de zon als “die koperen ploert” , echt zo’n Indische uitdrukking, dan glimlachte Heinz en hadden we een band, begrepen we elkaar.’
‘We publiceerden allebei in het tijdschrift De Tweede Ronde. Telkens als er een nieuw nummer verscheen, vierde de redactie dat in Mulliner’s wijnlokaal, vlakbij het Leidseplein. Het werd een hele toer om hem daar te krijgen. Zijn vrouw Mieke had liever niet dat hij de deur uitging. Aan de telefoon wierp ze allerlei bezwaren op, Heinz nam zelf nooit de telefoon op trouwens, en dan na lang soebatten ging ze mopperend overstag. Ik haalde hem op met de taxi, Heinz met zijn karakteristieke sigaar. Niemand mocht roken, maar hij wel. Ik herinner me dat hij eens zei, en toen was hij al op hoge leeftijd: “Kijk naar mij, ik rook al een leven lang. Ik eet goed, slaap goed en ik loop nog op eigen stoom.” Van betutteling wilde hij niets weten.’ Jos glimlacht: ‘Laat mij maar in rook opgaan, zei hij als we over zijn dood spraken.’
De publicatie van de bundel Zijn overhemden op jouw huid in 2010 bleek een ommekeer. ‘Ik geloof niet dat Heinz bij de boekpresentatie was. Na enkele bundels was ik een andere weg ingeslagen. Zijn overhemden op jouw huid is een zeer persoonlijke bundel en verre van vormvast, althans niet op een klassieke manier. Ik had hem de bundel toegestuurd, maar ik hoorde niets, geen briefje, geen telefoontje. Alleen via via op een gegeven moment, hij vond het niet kunnen dat ik alle vorm achter me had gelaten. Hij vond dat ik diep gezonken was.’
‘In gesprekken ging het over poëzie, over verstechniek, over vormen, maar nooit over eigen gevoelens, zelden over eigen ervaringen of eigen ongemak of zorgen. Je leerde hem nooit helemaal kennen. Was hij gelukkig met zijn vrouw? Wist zij van zijn leven buiten de deur? Geen idee.’
‘Eigenlijk was Heinz een pre-romanticus, voelde hij zich thuis in de tijd van de Rederijkers. Een lied als “Dodenrit”, technisch knap, ogenschijnlijk uitsluitend humoristisch en ook wreed, die combinatie. Je moet tussen de regels luisteren als je iets van emotie zou willen ontdekken. Dan hoor je dat het meer is dan zomaar iets grappigs, dan hoor je zijn liefde voor de negentiende-eeuwse Russische schrijvers, die worden in het lied gehonoreerd.’
‘Zijn laatste jaren woonde hij in een verpleeghuis in het centrum van Amsterdam. Ik ben bij zijn afscheid geweest, in het overvolle zaaltje van het Bethaniënklooster. Na alle muziek en toespraken stond iedereen als één man op in een spontaan applaus, dat raakte me enorm, het was een soort golf van emotie.’
‘Drs. P heeft grote verdiensten als auteur en zanger. En hij introduceerde het ollekebolleke als versvorm in Nederland. Als er een poëzievorm is die uitsluitend tot zijn recht komt als het technisch perfect is, dan is het wel deze. De kleinste afwijking en het gedicht is mislukt. Dat vraagt geduld en echt meesterschap, twee eigenschappen die bij Heinz hoorden.’
Eric de Rooij
