Het leven onder een vergrootglas

In Stilleven, het debuut van Binkie Bloemheuvel, weet een jonge kunsthistorica na haar studie niet goed welke richting haar leven op moet. Ze neemt freelanceklussen aan en werkt in een vintagewinkel waar niet alleen de kleding een verleden heeft. Ze beweegt zich door een bestaan dat tegelijk alledaags en vreemd aanvoelt. Een oude klant, een vergeten kledingstuk, een mot of een duif kan haar aandacht volledig opeisen. Ze kijkt langer dan nodig is. Daardoor krijgen de dingen om haar heen een ander gewicht.

Bloemheuvel schrijft vanuit een kunsthistorisch bewustzijn, maar haar verteller kijkt niet alleen naar kunst. Ze kijkt naar alles: naar wat wordt weggegooid en achtergelaten, naar wat ooit geliefd was, naar dieren die zich door de stad bewegen en mensen die nauwelijks lijken te merken hoe wonderlijk of absurd hun gedrag soms is. In die observaties zit ook de humor van de roman. Bloemheuvel hoeft de werkelijkheid maar een kleine draai te geven om haar iets vervreemdends te laten krijgen.

Wanneer haar moeder overlijdt, verandert de betekenis van die blik. Terwijl haar omgeving doorgaat alsof het leven zich niet laat onderbreken, probeert de verteller zich staande te houden door steeds preciezer te kijken. Ze richt zich op voorwerpen, natuur, kunst en de vrouwen die in de kunstgeschiedenis naar de achtergrond zijn verdwenen. In die aandacht vindt ze een manier om met haar verlies om te gaan en haar gedachten ergens anders op te richten.

Dat blijkt ook uit de passages over de afgedankte kleding waarmee ze in een loods werkt. Ze voelt zich verantwoordelijk voor de enorme hoeveelheid spullen die daar terechtkomt. Wat ooit geliefd was, is nu gedumpt. Op de sorteertafel komt een hele geschiedenis van verlangen en afscheid samen. Ze wil die ‘verloren massa’ niet opnieuw in de steek laten, wat haar manier van kijken kenmerkt: wat door anderen wordt afgedankt, blijft haar aandacht opeisen.

Diezelfde aandacht richt ze op de natuur. Motten, duiven en vlinders worden meer dan toevallige verschijningen. Vooral de vlinder krijgt iets van een tegenbeeld voor de stilstand die haar na het overlijden van haar moeder overvalt. De vrijheid om je vleugels uit te slaan, om te bewegen en te ademen. Tegelijkertijd is de vlinder zelf een beeld van kwetsbaarheid en vergankelijkheid. De schoonheid ervan bestaat niet los van het besef dat ze tijdelijk is.

Dat sluit aan bij de titel. Een stilleven is een afbeelding van dingen die niet bewegen, maar het genre heeft van oudsher ook een duidelijke relatie met vergankelijkheid. Bloemen verwelken, fruit bederft, voorwerpen blijven achter. Wat op het doek zorgvuldig bij elkaar is gebracht, is aan verval onderhevig. In Stilleven krijgt die gedachte een andere vorm. Afgedankte kleding, verweesde voorwerpen, vergeten kunstenaars, dieren en herinneringen komen naast elkaar te staan. Alles is tijdelijk en juist daardoor wordt het bekeken.

Ook de taal van Bloemheuvel is met die manier van kijken verbonden. Haar zinnen kunnen rijk zijn aan beelden en adjectieven, maar ze gebruikt die overvloed om de werkelijkheid niet meteen voorbij te lopen. Een zeldzaam moment alleen in het duingras kan uitgroeien tot een beschrijving van de branding en het krijsen van een zwerm meeuwen. Het alledaagse wordt niet groter gemaakt dan het is, maar wel langer bekeken.

De gedichten waarmee de hoofdstukken openen, passen daar mooi bij. De verteller zoekt houvast bij vrouwelijke dichters als Sylvia Plath, Emily Dickinson en Vasalis. In hun poëzie herkent ze twijfels en onzekerheden, maar ook de kracht die uit kwetsbaarheid kan voortkomen. Op haar eenzaamste momenten trekt ze zich op aan hun ‘fragiele binnenwerelden’ en draagt ze hun dichtregels zo lang met zich mee dat ze ermee vergroeid raakt. Hun stemmen vormen zo een stille onderlaag van de roman.

Ook de aandacht voor vergeten vrouwelijke kunstenaars hoort bij die beweging. De verteller verzamelt als het ware haar eigen stillevens: mensen, voorwerpen, dieren, kunstenaars en herinneringen die ze weigert zomaar te laten verdwijnen.

Zo grijpen rouw, kunst, natuur en het dagelijks leven voortdurend in elkaar. Het verdriet om de moeder staat naast een mot op de muur, een schilderij van een vergeten kunstenares naast een afgedankt kledingstuk. Zo werkt aandacht wanneer het grote even niet te bevatten is: de blik zoekt iets kleins om zich aan vast te houden.

Stilleven is een opvallend debuut, door de eigen manier waarop Bloemheuvel kijkt en schrijft. Ze heeft oog voor wat gemakkelijk over het hoofd wordt gezien en weet daar taal aan te geven. Haar roman gaat over vergankelijkheid, maar is zelf allesbehalve statisch. Er beweegt van alles doorheen: mensen, herinneringen, dieren, gedichten, kledingstukken en gedachten. Bij Bloemheuvel is een stilleven geen beeld van stilstand, maar een manier om langer te kijken naar wat anders alweer verdwenen zou zijn.

Anna Husson

Binkie Bloemheuvel – Stilleven. Querido, Amsterdam. 192 blz. € 21,99.