Die ene week is een eeuwigheid geworden

Na een avondje tafelen beginnen drie Alexandrijnse vrienden over geld te praten. Een van hen, Aléxandros zegt dat hij multimiljonair had kunnen zijn, als hij het maar gewild en vooral gedurfd had. Hij begint te vertellen over de nacht dat er een tamelijk verfomfaaide man aan zijn bed stond. Aan zijn linkerhand ziet hij een ring met een grote smaragd blinken. De man vertelt dat er bij de Zuil van Pompejus, een van de weinige antieke monumenten in Alexandrië, een grote schat te vinden is. Zelf hoeft hij alleen maar het ijzeren doosje dat erbij zit te hebben: ‘Ik moest beslist iemand hebben en daar kies ik jou voor uit, omdat ik het goed met je voor heb.’

Aléxandros moet zich de volgende middag bij een café melden, maar eenmaal ontwaakt schudt hij de droom van zich af. De nacht erop is de man er weer en geïrriteerd draagt hij hem op de volgende middag wél op te komen dagen. Van schrik kan hij bijna de slaap niet meer vatten, maar de volgende dag zet hij het gepieker van zich af. Onderweg van de ene naar de andere afspraak komt hij een oude bekende tegen en wanneer ze uiteengaan is hij in de buurt van het café waar de man op hem zou wachten. Tot zijn verbijstering ziet hij hem zitten: ‘De geestverschijning nam zijn blik niet van me af.’

Hij laat zich als de wiedeweerga door een koets ver weg van dat plein rijden, maar keert ook weer terug, omdat het niet de man die aan zijn bed stond kán zijn. Maar de smaragden ring is het doorslaggevende bewijs dat hij het toch echt is. Weer maakt Aléxandros dat hij wegkomt en hysterisch belandt hij bij een vriend die veel van magie weet en hem geruststelt: ‘Ongetwijfeld zou hij het nu bij iemand anders gaan proberen.’ De nasleep van dit akkefietje is een fikse hersenontsteking, maar gelukkig kan hij het navertellen: ‘Ik durfde niet, en ik heb er geen spijt van.’

Dit suggestieve verhaal is afkomstig van K.P. Kavafis (1863-1933), een van de bekendste moderne dichters van Griekenland die er zelf nooit gewoond heeft – net als Aléxandros en vele anderen uit de Griekse diaspora woonde hij in Alexandrië. Zijn werk is opnieuw naar het Nederlands vertaald, ditmaal door Hero Hokwerda, die in 2025 een van de Griekse staatsprijzen voor literatuur ontving. Hij boog zich niet alleen over de onsterfelijke gedichten die Kavafis wereldberoemd maakten, maar bloemleesde ook het proza dat hier nooit echt en in ieder geval niet zo uitgebreid geïntroduceerd is.

Verborgen dichterschap bevat familiekronieken, dagboekfragmenten, opstellen over Griekse taalvernieuwing en Byzantijnse poëzie, getuigenissen over Kavafis’ poëzie en een handvol verhalen en prozagedichten, waarvan ‘Bij klaarlichte dag’ er een is. Hij schreef het rond zijn dertigste, toen hij zijn jeugdige behaagziekte achter zich begon te laten. Ik haal het niet aan, omdat het zo’n goed verhaal is – het is zoals Hokwerda aangeeft een ‘oefening in proza’ – maar omdat de kernthema’s en -motieven van Kavafis’ latere oeuvre er al zo duidelijk in naar voren komen.

Neem bijvoorbeeld de geestverschijning die aan Aléxandros’ bed staat. Het wemelt ervan in de gedichten (vandaar ook Hokwerda’s keuze voor de titel Als straks de schimmen komen): oude bekenden, geliefden, koningen van weleer en andere historische of mythische figuren die veelal afkomstig zijn uit de hellenistische tijd, toen de Griekse cultuur wijdverspreid en hegemonisch was. Soms is de schim ongrijpbaarder, zoals een stem, en soms is het een stadsgenoot uit vervlogen tijden, zoals de Syrische student Myrtias die in de vierde eeuw leefde. Onbevreesd spreekt hij over het volgen van zijn verlangen: ‘Mijn lichaam ga ik geven aan de lusten, / aan elke droomwens van het zingenot, / aan de begeerten van de liefde die het meest gewaagd zijn, / aan de aandriften van mijn bloed’. De twist komt in de slotregels, wanneer de lefgozer ook nog eens wijs blijkt te zijn: op de momenten dat het erop aankomt, zal hij zijn geest hervinden en zichzelf disciplineren. Je hoort het hem zeggen en gelooft hem direct op zijn woord. Net zo krijgt Kavafis het voor elkaar dat je begrijpt waarom die door angst en beven bevangen Aléxandros niet is gaan graven.

Uit deze voorbeelden spreekt een soort eigenmachtige berusting uit die uiterst melancholisch stemt en dit oeuvre zo charmant en memorabel maakt. Vrede sluiten met het verleden, daar gaat ook het magnifieke ‘Che fece… il gran rifiuto’ over. Op een dag sta je voor de keuze: ‘het grote ja / dan wel het grote nee’. De ja-zeggers vindt de dichter niet zo interessant, het gaat om de ‘gran rifiuto’ (de ‘grote weigering’, een term afkomstig uit Dantes Inferno): ‘Hij die geweigerd heeft, het zal hem nimmer spijten. / Nogmaals gevraagd, zou het weer nee zijn.’ Maar deze oprechte overtuiging is instabiel: ‘in feite / drukt hem dat neer – dat juist was – heel zijn leven neer.’
Het nee kan vreselijk in je omwoelen, tot op het dwangmatige of tirannieke af – zie hier een ander kernthema uit deze poëzie. ‘Al zijn verwachtingen zijn op mislukking uitgedraaid!’, begint het gedicht ‘Van Demetrios Soter (162-150 vC)’, over een Syrische koning uit de hellenistische tijd die niet voor elkaar kreeg waar hij van droomde en zijn lot uiteindelijk gelaten accepteert:

En in zijn bittere ontgoocheling
is er maar één ding dat voor hem nog telt,
met een gevoel van trots: dat ook in zijn mislukking hij
zijn niet kapot te krijgen moed blijft tonen aan de mensen.

Dat ‘nee’ neemt bij Kavafis vele vormen aan. Zo zijn er de gemiste kansen of verbroken beloftes uit het weergaloze gedicht ‘De late middagzon’, waarin de dichter in de gemeubileerde kamer staat waar vroeger zijn geliefde zat te schrijven: ‘En naast het raam stond toen het ledikant / waar wij elkaar zo dikwijls hebben liefgehad.’ Ook nu volgt de twist aan het eind: ‘…’s Middags, een uur of vier, waren wij uit elkaar gegaan / voor op z’n hoogst een week… Droevigerwijs / is van die ene week een eeuwigheid geworden.’

Het leven had Kavafis gepokt en gemazeld, vandaar dat hij hierover zo sec en indrukwekkend kon schrijven. Al vroeg in zijn leven kwamen zijn vader en een goede vriend te overlijden en rond de eeuwwisseling volgden een aantal broers en zijn moeder, met wie hij een ingewikkelde symbiotische relatie onderhield:

Vreselijk is mijn gewetenswroeging. […] Het scheen me belachelijk met haar samen te zijn. Ik (een man van 34) als kleine jongen met zijn moeder – te meer gezien de verschillende andere eigenaardigheden van mijn karakter, waarover ik hier niet hoef uit te weiden.

Een van die eigenaardigheden is de homoseksualiteit waar hij zijn hele leven mee worstelde, maar die Kavafis desondanks, of nee: juist daardoor, onbesuisd en vakkundig onderbracht in zijn poëzie. De geliefde uit ‘De late middagzon’ is een man en dat is voor een gedicht uit 1919 toch opvallend en baanbrekend te noemen. Weinigen schreven er open en onverbloemd over en de nasleep van het zedenproces tegen Oscar Wilde eind negentiende eeuw was nog altijd voelbaar.

Ook uit zijn directe omgeving begreep Kavafis maar al te goed niet te koop te lopen met zijn seksualiteit. Zijn broer Pavlos, met wie hij tot 1923 samenwoonde, was misschien minder nichterig dan Kavafis, maar evengoed een bron van speculatie. In de vorig jaar verschenen biografie Alexandrian Sphinx. The Hidden Life of Constantine Cavafy valt te lezen dat een niet nader gespecificeerd ‘schandaal’ Pavlos dwong zich abrupt terug te trekken uit het publieke Alexandrijnse leven.

Maar zwijgen waarover men niet spreken kan, is onmogelijk, omdat het toch een uitlaatklep nodig heeft. In zijn autobiografische proza is Kavafis weinig concreet over zijn eigen ervaringen en belevenissen, maar hij hint vaak genoeg naar zijn homoseksualiteit en je hoeft niet eens een goede verstaander te zijn om dat mee te krijgen. Zijn seksualiteit is ‘duister alleen voor de onwetenden’ en in 1902 schrijft hij dat het vaststaat dat perversie een ‘bron van grootsheid’ is.

Ontroerend ook is deze observatie: ‘De kunstenaar heeft de kalmte van de ziel en de grote vergevingsgezindheid tegenover zaken die verontwaardiging en afkeuring wekken van gewone mensen.’ Doordat de ‘ellendige wetten van de samenleving’ hem beperkten in zijn artistieke bewegingsvrijheid en hem belemmerden ‘in het verschaffen van licht en ontroering aan wie gemaakt zijn zoals ik’, zette hij zich des te overtuigder aan de sublimatie van zijn onstuimige emotionele binnenwereld. In de schoonheid en zijn poëzie vond hij ‘oneindige genade’.
In de (hellenistische) droomwereld die hij op papier opriep, was hij vrij en ook veiliger dan hij ooit zou zijn in zijn bubbel van Griekse émigrés, laat staan in de multiculturele potpourri van Alexandrië en onder het victoriaans-Britse gezag in Egypte. Die wereld van illusies, fantasieën en herinneringen verdedigde hij met hand en tand. Alexandrian Sphinx schetst een ontluisterend beeld van de carrièredrift en de arrogante berekening van Kavafis. Deze zelfbenoemde ‘dichter van toekomstige generaties’ was obsessief bezig om zijn imago van mythische proporties te voorzien.

Zijn poëzie verspreidde hij mondjesmaat en in kleine oplagen en persoonlijke relaties offerde hij voor bekendheid en roem. Hij bewoog anderen ertoe zijn werk bij invloedrijke figuren onder de aandacht te brengen en liet zich graag omringen door jongelui die hem aanbaden en overgaven aan wat ik maar als gekavafieer vertaal. Dit alles kon echter niet de zelftwijfel en het gevoel van miskenning het zwijgen opleggen, waardoor hij tot op het einde bleef sleutelen aan zijn gedichten en hij er ook wel wat in vastdraaide.

Een van Kavafis’ critici – een verbitterde vriend – heeft bij leven al gewezen op het gesloten en hermetische karakter van zijn oeuvre, waarin hij keer op keer met dezelfde details aan komt zetten en er door die redundantie wel wat klad in komt. Maar wat als we niet van herhaling, maar van terugkeer spreken, vraagt de Leidse Kavafis-kenner Maria Boletsi zich in Specters of Cavafy (2024) af, op voorspraak van de dichter zelf: ‘Herhaling is bij Kavafis nooit te vinden.’

Schimmen, geesten, herinneringen, fantasieën komen telkens opnieuw op de proppen en spoken door het oeuvre van Kavafis. Ze onderbreken de tijd, laten het verleden in het heden leeglopen en zetten de toekomst op de tocht. Boletsi haalt ter illustratie het gedicht ‘Kaarsen’ aan, waarin een rij kaarsjes langzaam kleiner wordt naarmate de tijd verstrijkt. Hun toekomst is verleden tijd, met andere woorden, terwijl ze blijven bestaan in het gedicht: ‘Naar voren kijk ik, naar mijn kaarsen die nog branden.’

Het is lang geleden – eigenlijk voor het eerst sinds ik acht jaar geleden Rudy Kousbroeks exquise essayboekje Een zuivere schim in een vervuilde schepping (1987) las – dat ik zo wild werd van een Kavafis-interpretatie. Boletsi ploegt het nauwgezet bijgehouden archief van Kavafis door, leest de door dichter erkende gedichten door de lens van verworpen gedichten en laat zien hoe ontzettend veelzijdig en veelzeggend dit oeuvre is.

En het is fijn om dat zelf opnieuw te ontdekken, nu er een nieuwe vertaling is. Maar was dat echt nodig? Wat het proza betreft, is dat goed te begrijpen, maar de gedichten? De twee vertalingen die we hebben, zijn er al een tijdje, maar staan nog altijd overeind. Hoewel zeer verschillend zijn ze allebei welhaast even monumentaal en onsterfelijk als het werk zelf.

Niet lang na het overlijden van de Kavafis begon G.H. Blanken zijn werk te vertalen en – geheel in de geest van de dichter – clandestien te verspreiden, totdat er in 1977 een tweedelige verzameling verscheen, waarmee hij de dichter van intense verlangens en herinneringen, voluit in de schijnwerpers zette: ‘Vreugde en diepst aroma van mijn leven, van mij die me heb afgewend / van elk genieten van de liefdes naar gewoonte en sleur.’

Al in 1984 volgde er een nieuwe (en nog altijd leverbare!) vertaling van schrijverskoppel Hans Warren en Mario Molegraaf, die, zo bleek uit een interessante reconstructie van neerlandicus Jeroen Dera uit 2010, van mening waren dat Blankens vertaling tekortschoot (een ‘gymnasiastenvertaling’). Daarom was een correctie zo kort na de eerste vertaling op zijn plaats – overigens niet alleen om Kavafis recht te doen, maar ook om zichzelf meer in de kijker te spelen: ‘Vreugde en aroom van mijn leven: dat ik me met weerzin / heb afgewend van ieder alledaags erotisch plezier.’

Hokwerda’s vertaling klinkt net weer anders: ‘Vreugde en mirre van m i j n leven – die mij afgewend heb / van elk genoegen van de bedden der routine.’ Hij schurkt dicht tegen die van Blanken aan en ook deze vertaling doet soms wat gymnasiaal aan, maar dat komt vooral omdat Hokwerda in tegenstelling tot de anderen het metrische en berijmde origineel strikter volgt. Ook goochelt hij zo nu en dan krampachtig met synoniemen om zich te onderscheiden van de eerdere vertalers.

Maar dat is logisch en ook klein bier met het oog op de toch wel kapitale fout om alleen de honderdvierenvijftig door Kavafis erkende gedichten op te nemen in Als de schimmen komen en het apocriefe werk buiten beschouwing te laten. (In Verborgen dichterschap komen wel een aantal niet-erkende gedichten terug.) Echt deze keuze motiveren doet Hokwerda niet: hij geeft aan dat de dichter het zo gewild heeft en dat je het hoofdwerk niet tekort moet doen door ‘rijp en groen’ met elkaar te vermengen.

Dat is op het eerste gezicht prijzenswaardig – en ook met die honderdvierenvijftig kom je aardig aan je trekken. Maar het is, zeker met de recente biografie en Boletsi’s studie in gedachten, toch ook te ambiëren om door het verborgen dichterschap te zwerven – paradoxaal genoeg en wederom op voorspraak van de dichter zelf (uit ‘Verborgenheden’, in de vertaling van Warren en Molegraaf):

Mijn meest onopgemerkte daden,
en mijn meest verhulde geschriften –
daaruit alleen zal men mij begrijpen.
Maar misschien is het niet zo veel moeite,
zo veel inspanning waard om mij te kennen.
Later – in een volmaakter samenleving –
zal stellig iemand anders, zoals ik geschapen,
verschijnen en handelen in vrijheid.

Obe Alkema

K.P. Kavafis – Als straks de schimmen komen. Vertaald door Hero Hokwerda. Historische Uitgeverij, Groningen. 360 blz. € 45.

K.P. Kavafis – Verborgen dichterschap. Vertaald door Hero Hokwerda. Historische Uitgeverij, Groningen. 440 blz. € 45.