Een jongen om eindeloos naar te kijken

In Johan van Elte Rauch is Johan eigenlijk nogal saai. Is niet bijzonder knap, heeft geen opvallend talent, lijkt ook niet over een hobby te beschikken waar je enthousiast van wordt. Op school doet hij weinig moeite om de aandacht te trekken. Toch kan Veere haar ogen nauwelijks van hem afhouden. Ze let op wat hij zegt, wat hij niet zegt, waar hij kijkt en vooral op de betekenis die daar volgens haar achter zit. Want Johan moet iets verbergen. Daar is ze van overtuigd. Misschien draagt hij een geheim met zich mee dat speciaal voor haar bedoeld is.
Het klinkt ownderlijk, maar is manier om verliefd te worden: hoe minder iemand van zichzelf laat zien, hoe meer ruimte er ontstaat om hem zelf in te vullen. Veere probeert contact met Johan te krijgen, maar hij blijft onbewogen. Dat maakt hem alleen maar interessanter.

Veere heeft daar overigens geen Johan voor nodig. Ook andere mensen kunnen plotseling een enorme betekenis voor haar krijgen. Een leraar, een vrouw, iemand die haar aandacht trekt: de ene persoon na de andere kan het middelpunt van haar gedachten worden. Ze observeert hen, zoekt naar aanwijzingen en maakt van kleine gebeurtenissen iets wat misschien groter is dan bedoeld. Haar belangstelling heeft steeds minder met de ander te maken en steeds meer met het verhaal dat zij rond die ander bouwt.

Dat beseft Veere achteraf zelf ook. Ze schrijft haar ervaringen in retrospectief op en kijkt naar de Johan die ze toen zag: ‘het was mijn verbeelding die Johan tot de Johan maakte van mijn hartstocht.’ In die zin zit een belangrijk onderscheid. Er is een Johan die gewoon rondloopt en er is de Johan die in Veeres hoofd ontstaat. Haar verliefdheid richt zich uiteindelijk niet alleen op een persoon, maar op een versie van die persoon die door haar eigen verbeelding steeds verder wordt opgebouwd.

Rauch maakt van die verbeelding geen onschuldige romantiek. Veeres werkelijkheid begint steeds meer mee te bewegen met wat ze denkt, vermoedt en ziet. Ze raakt verstrikt in medicijnen, bijwerkingen, isolatie en een psychische ontregeling die haar verder van de buitenwereld verwijdert. Ze schrijft over ‘de dagen, weken, maanden, jaren zelfs van mijn ziekte’ als een periode van ‘overweldigende en absurde eenzaamheid, soms volledige waanzin en intense innerlijke, onzichtbare groei.’ Opvallend hoe dicht groei en waanzin hier naast elkaar staan. Voor Veere is haar ziekte niet alleen verlies van de werkelijkheid; er ontstaat in haar ook een wereld waarin van alles gebeurt.

Juist daarom is het belangrijk dat Johan wordt gepresenteerd als een terugblik. Die maakt Veeres verslag tegelijk intiem en onzeker. Ze probeert te reconstrueren wat er met haar is gebeurd, maar kan alleen gebruikmaken van haar eigen waarneming. Ze beschrijft ‘details die er niet toe deden bijvoorbeeld, of zaken die er niet waren’. In de diagnostiek worden die laatste ‘ambigue observaties’ genoemd. Voor Veere waren het geen vergissingen, maar ‘slechts variaties op dezelfde werkelijkheid’.

Die formulering is veelzeggend. Veere ontkent haar waarnemingen niet; ze geeft ze een andere plaats. Wat voor anderen niet bestaat, kan binnen haar werkelijkheid toch betekenis hebben. Daarmee maakt Rauch het voor de lezer moeilijk om een eenvoudige scheidslijn te trekken tussen feit en waan. We weten dat Veere ziek is, maar we worden ook meegenomen in de logica via welke zij haar ervaringen begrijpt.

Dat wordt nog radicaler wanneer Veere zich afvraagt of de werkelijkheid waarin ze zich bevindt überhaupt wel de werkelijkheid is. ‘Er was een kloof ontstaan tussen mij en de wereld,’ schrijft ze. Vervolgens laat ze haar gedachten steeds verder ontsporen: misschien is ze blijven steken in een andere werkelijkheid, een koortsdroom, een hiernamaals of een parallel universum. Misschien is zij zelf wel de schim geworden en wordt ze door anderen geobserveerd. Zelfs Johan krijgt daarin een nieuwe rol. Misschien negeert hij haar niet omdat hij onverschillig is, maar omdat hij bang is voor wat anderen van hem zouden denken als hij tegen een luchtspiegeling praat.

En dan volgt de mooiste gedachte uit het boek: ‘Verbeelding! Ik was misschien slechts de verbeelding van een ander.’ Daarmee keert Rauch het perspectief volledig om. Veere is niet langer alleen degene die anderen tot personages in haar eigen werkelijkheid maakt. Ze kan zich ook voorstellen dat zíj een personage is in de werkelijkheid van iemand anders. Dezelfde verbeelding die Johan voor haar tot de Johan van haar hartstocht heeft gemaakt, kan haarzelf tot een schim, herinnering of verzinsel maken.

Daarin schuilt de beklemming van Johan. Rauch schrijft niet simpelweg over een vrouw die haar grip op de werkelijkheid verliest. Ze laat zien hoe moeilijk het is om vast te stellen wat werkelijkheid is wanneer onze waarneming altijd door gedachten, verwachtingen en verlangens wordt gekleurd. Veere kijkt naar Johan, maar ondertussen ook voortdurend naar zichzelf. En hoe langer ze kijkt, hoe minder vanzelfsprekend de wereld om haar heen wordt.

Johan is een roman over verliefdheid en obsessie, maar ook over de merkwaardige macht van verbeelding. Een ander hoeft niet eens zoveel te doen om een enorme plaats in je leven in te nemen. Veere maakt van blikken, stiltes en toevallige ontmoetingen iets wat steeds groter wordt. Soms is kijken al genoeg om iemand tot een mysterie te maken.

Anna Husson

Elte Rauch – Johan. Cossee, Amsterdam. 128 blz. € 21,99.