Wie denkt dat alleen in de beeldende kunst sprake is van verwarring over wie welk werk maakte, dat ‘vervalsen’ in ieder geval in de letteren niet voorkomt (en waarom zou men ook: er valt geen groot geld mee te verdienen), wie dat denkt vergist zich deerlijk.

Over eerlijke vergissingen gaat het natuurlijk niet: dat in de bundel nagelaten verhalen van Jan Arends, Ik had een strohoed en een wandelstok (De Bezige Bij, Amsterdam 1974), een verhaal van Eelke de Jong werd opgenomen (‘Jan Arends I presume’) is zo’n eerlijke vergissing. Het verhaal werd – met toestemming van De Jong en onder vermelding van zijn naam – desalniettemin ook opgenomen in de tweede druk (idem 1976).

Ook pastiches kunnen niet gerekend worden tot de vervalsingen, al kunnen ze soms voor veel verwarring zorgen. In 1985 schreef Theodor Holman voor De Groene Amsterdammer een reeks waarover de Volkskrant op 29 juni 1985 berichtte:

De Groene Amsterdammer […] kreeg begin 1985 een nieuwe hoofdredacteur, Martin van Amerongen, die binnen een half jaar alle bekende en in kleinere kring bekende columnisten van Nederland wist over te halen een enkele bijdrage te leveren aan het blad.

[…]

Allemaal nep. De stukjes waren een parodie. Het waren “pastiches” van de columns die her en der in de gedrukte media verschijnen.

Knappe staaltjes. Sommige stukjes waren zo “echt” dat het maar langzaam tot het wereldje doordrong dat er weer eens een (bekende) grap werd uitgehaald.

Of bovenstaand citaat inderdaad afkomstig is uit de Volkskrant weet ik niet, dat zou ik moeten nakijken, want het is overgenomen van het achterplat van de gebundelde pastiches uit De Groene Amsterdammer: Theodor Holman – Vadermoord. op Piet Grijs, Jan Blokker, Gerrit Komrij, Boudewijn Büch, Wim de Bie, Herman Zeevoerder (alias Gerard Reve), Nico Scheepmaker, Tamar, Journaille, Adriaan van Dis, Kees van Kooten, Karel van het Reve en anderen (C.J. Aarts, Amsterdam 1986).

Uit dit boekje nu een anekdote, uit Kronkel door S. Carmiggelt:

Godfried Bomans vertelde me destijds het volgende verhaal. Bomans had een kennis die voortreffelijk de heer Thijm kon imiteren. Hij stelde de kennis voor aan de grote Lodewijk van Deyssel en maakte bescheiden gewag van de imitatiekunst van de nieuwe gast. Van Deyssel nodigde de man uit iets van zijn kunst te laten zien. De man stond op, vertrok zijn gezicht, maakte wat bekakte geluiden zoals Van Deyssel placht te doen en sloofde zich aldus zo’n tien minuten uit, waarna Van Deyssel zei: ‘Geeft u ons een seintje wanneer u begonnen bent?’

[p. 113]

In 1987 verscheen bij Gerard Timmer Prods te Amsterdam Een bange mandarijn – gedichten van Tom van Deel ‘Met een inleiding van Jeroen Brouwers’. Het boekje bleek geschreven door Bob Polak, die eerder, in december 1983, in Propria Cures een stuk over het vermeend oorlogsverleden van Aad Nuis publiceerde onder de naam Max Pam. Als Willem Frederik Hermans publiceerde Polak Lebensraum. Een oorlogsdagboek (1991) en Pang. De oorlogsjaren (1992), waarop de echte Hermans een civiele procedure aanspande en Bob Polak veroordeeld werd tot het betalen van een schadevergoeding.

Robert Loesberg schreef  begin jaren zeventig in Propria Cures stukken die hij ondertekende met C.B. Vaandrager.

Pastiches? Mystificaties? Satire? Vervalsingen?

Op 6 juni 1987 verschijnt in Vrij Nederland, onder de titel ‘Schrijven is een manier om de dood een poets te bakken’, een interview met Jean Pierre Rawie. Interviewer Piet Piryns wil weten of er wel eens een pastiche van Rawies gedichten is gemaakt. De dichter:

‘Het lijkt me niet zo eenvoudig. Maar voor alle zekerheid heb ik bij de uitgeverij al gestipuleerd dat, als ik plotsklaps onverhoopt zou komen te overlijden, de zorg voor het nagelaten werk niet in handen mag vallen van bijvoorbeeld Driek van Wissen. Die verdenk ik ervan dat hij er zo tien bijschrijft. Wij hebben die truc al eens uitgehaald met de Verzamelde Gedichten van Riekus Waskowsky, en dat is kennelijk niemand opgevallen.’

In Herman Sandman – Arcadia der Poëten. Het literaire leven in Groningen 1945-2005 (Uitgeverij Passage, Groningen 2008) staat op pagina 180:

Japien Waskowsky, die de nalatenschap van Riekus en Edu beheert, bleek niets van een dergelijke ‘truc’ bekend. Navraag bij Rawie leerde dat er in de Verzamelde gedichten van Waskowsky inderdaad een gedicht staat dat niet van de Rotterdammer is:

Een vrouw mag dan

Pakweg duizenden gezichten hebben

Haar borsten

Zijn op een hand te tellen

“Die hebben we erin gesjoemeld. De uitgeverij vroeg of we nog iets wisten uit zijn Groningse periode. Zoiets moest je ons natuurlijk niet vragen. Driek had deze nog liggen uit zijn vroege tijd, toen ie die Buddingh’-achtige dingen schreef. Als je de bronvermelding achterin de Verzamelde gedichten leest, kun je al nattigheid voelen. Er wordt verwezen naar nummer 17 uit de eerste jaargang van De Nieuwe Clercke en die is nooit verschenen.”

Riekus Waskowsky – Verzamelde gedichten. Samengesteld door Rien Vroegindeweij en Erik van Muiswinkel (Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1985) is dus niet alleen geen Volledig Werk, dat is nogal gebruikelijk, maar een Overvolledig Werk, uiterst ongebruikelijk. In de Verzamelde gedichten staat overigens een, veel sterkere, variant van het door Sandman – bewust ‘vervalst’ of slordig overgetypt? – in zijn boek opgenomen vers (drie hoofdletters en duizenden gezichten minder, alsmede een punt meer):

Een vrouw mag dan

pakweg duizend gezichten hebben

haar borsten

zijn op een hand te tellen.

Volgens de samenstellers stamt dit gedicht, afgedrukt op pagina 228, uit 1976.

(wordt vervolgd)

Karel ten Haaf

0

Reacties