Die kus zonder gezicht

Van F. (Fritzi) Harmsen van Beek (1927-2009) verscheen op 23 mei van dit jaar het verzameld werk onder de titel In goed en kwaad. Op dezelfde dag werd haar gehele archief door de erfgenamen, tevens medebezorgers, overgedragen aan het Letterkundig Museum. Het programma Nieuwsuur besteedde aandacht aan deze gebeurtenis en via de website zagen en hoorden we de dichteres ook voordragen, natuurlijk het beroemde gedicht dat de eerste bundel (1965) zijn titel verleende: Geachte Muizenpoot (met de toevoeging en achttien andere gedichten) en De Verdoolde Kus. Dat laatste is overigens niet opgenomen in het verzameld werk. Het verscheen als rijmprent bij Thomas Rap (1967) en werd later opgenomen in het luisterboek Ze schrijft met haar stem (1989). De Verdoolde Kus is qua thema, stijl en taal representatief voor het werk van Harmsen van Beek, maar wellicht ook qua ontvangst daarvan door media en lezend publiek: een charmant gedicht waarvan je de pijnlijke moraal maar liever snel vergeet. De Verdoolde Kus verscheen voor het eerst in de kerstbijlage van Vrij Nederland (1965) en was ondertekend met: ‘Gemaakt door F. Harmsen van Beek/Op een moment dat niemand keek’. Uitzonderlijk, want de dichteres zette nooit haar naam onder haar werk, én ironisch: zij stond op dat moment zeer in de literaire schijnwerpers. Ondanks zichzelf.

Niet te ontkennen valt dat ‘Fritzi’ een interessante achtergrond had. Als dochter van Eelco ten Harmsen van der Beek en Freddie Langerer, succesvolle illustratoren van onder andere het beroemde ventje Flipje Tiel uit de Betuwe, woonde ze in een villa aan de Torenlaan in Blaricum, joeg er, na de dood van haar vader, haar moeder was al eerder overleden, samen met haar broer in korte tijd het familievermogen doorheen en kwam op de eveneens Blaricumse villa Jagtlust terecht als een soort anti-kraak avant-la-lettre. Daar werd ze het middelpunt van vele talentvolle Amsterdamse kunstenaars die allen, wars van het vijftiger jaren burgermansbestaan, wel brood en drank zagen in deze geliefde ‘impertinente prinses’, die in 1957 Remco Campert trouwde. Zij ontdekten haar als dichteres van buitengewoon originele gedichten en Campert zorgde ervoor dat die gepubliceerd werden in Tirade en later, als bundel, bij de Bezige Bij. Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten werd een literaire sensatie en beleefde nog in datzelfde jaar (1965) een tweede druk.

Voor Harmsen van Beek hoefde dat allemaal niet zo, ze vond het eigenlijk maar onzin en dat geschrijf van haar meer ‘een goed geslaagd grapje’ dan iets anders. Bij gelegenheid stak ze ook graag de draak met wat ze noemde literaire geheimtaal en andere modieuze behaagzucht. De enige schoonheid die ze belangwekkend vond was die ‘van een zichtbare diepere belangstelling en liefde van de maker voor zijn onderwerp dan voor zijn persoon’. Wellicht dat ze zich in de begintijd ook meer illustrator voelde. Ze was in navolging van haar ouders voor zichzelf begonnen en tekende al in 1949 voor het Algemeen Handelsblad. Ze kon schitterende miniatuurtjes maken, planten en dieren, diertjes vooral, met een sterke voorkeur voor het kruipende, zoals we nu in Wat knaagt? kunnen bewonderen. Met die tekeningen illustreerde ze ook haar eigen teksten. We mogen de bezorgers van het verzameld werk wel buitengewoon dankbaar zijn dat ze behalve bij Wat knaagt? ook de illustraties bij Hoenderlust (platen van Paul de Lussanet), Gewone Piet & Andere Piet en de bijdragen over kunst en cultuur (met fascinerende titels als ‘Takkebossen in het Stedelijk Museum’ en ‘Spelletjes: waarschuwingsposten voor een mooie, zware verveling’) hebben opgenomen, die ze in de zestiger jaren schreef voor Vrij Nederland. De Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1975) ontving ze expliciet ook voor haar tekeningen. Daarnaast zijn, uit de zeventiger jaren, de Maatstaf-verhalen opgenomen. Al in 1963 kreeg ze de poëzieprijs van de stad Amsterdam uitgereikt, later ook de Trevanian-poëzieprijs (1984) en de A. Roland Holstpenning voor haar hele oeuvre (1994). Hoewel de bezorgers van In goed en kwaad een lijvig boekwerk hebben kunnen samenstellen uit een betrekkelijk klein oeuvre, is ook veel in vocht en verval verloren gegaan. Het huisje in Garnwerd waar ze vanaf 1971 een min of meer teruggetrokken leven leidde (maar ook daar waren drank en ‘verloofdes’, onder wie de schilder Matthijs Röling), bleek na haar vertrek naar het verzorgingshuis en latere overlijden niet opgewassen tegen de leegstand. Zelf verbood ze nieuwe publicaties van haar werk tijdens haar leven. Ze was kopschuw geworden door de vele aandacht.

De Verdoolde Kus gaat als volgt: een kus ontsnapt aan een mond, scharrelt door de kamer, ontsnapt tijdens die tocht aan een paar loerende gevaren (een oud wijf, een kat, een lieflijk maar vraatzuchtig kind) om te eindigen in de top van een kerstboompje naast een herinnering, een glimlach, en een ander ding van minder vriendelijk allooi, en dan uitdooft. ‘Men vraagt zich af waar ‘t nu aan lag/ dat daarna hem geen mens meer zàg’. Als het boompje wordt opgetuigd vrolijkt de kus echter geweldig op. Volgt de moraal:

Want wie wat er wèl is nièt ziet

Deert daarmee zo’n onzichtbare niet,

mits die er maar vanuit blijft gaan

dat je ongezien bèst kan bestaan.

Bevend in het zachte licht

peinsde die kus zonder gezicht:

“Ik ben vast een ergee lieve zoen

dat ze zoveel moeite voor me doen.

Iets liefs daar wàs ik toch eigenlijk voor,

gaat helemáál dus niet teloor

als het tot geen schepsel doordringt. O!

God weet wat ons nog meer omringt.”

Het gedicht heeft het karakter van een vertelling, als alle gedichten van Harmsen van Beek. Daarnaast zijn alle ingrediënten die haar werk zo ongekend populair maakten, aanwezig: de minutieuze beschrijving van het heel kleine en onzichtbare, het bijzondere perspectief, de beeldenrijkdom, de springerige zinsbouw, de vele inversies, het aanroepen van het opperwezen en ten slotte de toon, die zeer versterkt door het eindrijm, wanhopig en opgewekt tegelijk is. Waarmee ze de lezer zowel wat betreft taal en grammatica, als inhoud en thematiek haar geheime boodschap meegeeft. Waarmee ze ook altijd de dans ontsprong als haar gevraagd werd naar het autobiografische in haar werk. Kijk maar, er staat wat er staat. En dat viel niet te ontkennen. Dat ze de lezer daarmee provoceert, ontregelt en vooral niet toelaat tot de kern van de vele dubbelzinnigheden in haar gedichten, mag duidelijk zijn. Die eeuwig opgewekte grondtoon, waar verwondering, verbijstering en wanhoop over eigen leven of hét leven, ingebed en ingekaderd zijn, blijft immer intact. Ze overrompelt de lezer er nog altijd mee.

Maar de ontregeling trof tragisch genoeg ook de dichteres zelf. Niet in staat tot enige vorm en structuur dreigde die in drank en steeds maar weer nieuwe verloofdes, ten onder te gaan. In Wat knaagt? (1968):

Het komt nooit meer goed want er is geen begin aan of geen einde, het is onhanteerbare afbraak, sloping en ondermijning, langzame vervuiling, verwording, verdwijning zwakjes, dood doodstilletjes, amper bewijsbare aanwijzingen. Teder gaat het te werk, maar zonder genade. Vredig maar vernietigend. Schijnbaar onopzettelijk maar sluw berekenend. Zo zwak als leven is als het op sterven aankomt, maar taai als de dood. [… ] Het nietbeterwetende onszelf trachten te zijn in de chaos. En ordenen, reinigen, ruimen. Tegen beterweten in. Ruimen tot de dood er op volgt. Maar ja, hoe gaat zoiets? Langs de vloer.

Gewone Piet & Andere Piet (1969) kunnen we nu eindelijk in de oorspronkelijke, met rood ingekleurde, uitgave lezen. De paasvertelling is opgedragen aan zoon Gilles, kind uit het korte huwelijk met Eric de Maréchal (1951-1955), die zij tijdens haar verblijf in Frankrijk had ontmoet. Na drie pagina’s tekeningen van twee schattig verliefde roodborstjes en twee maal een echte hortus conclusus, begint het handgeschreven verhaal met zes keer het woord ‘gelukkig’ sierlijk meanderend over de bladzijde om te eindigen met de opdracht aan Gilles, gevolgd door die aan de lezer: Gelukkig Paasfeest,/lieve lezer en/Voorlezer-ook/ gelukkig-/en Plaatjes.beer-/ -óók-/en iedereen verder:/Gelukkig Paasfeest, vro/lijk P.F., zalig P.F. en ziezo’ en dan wederom puntjes naar de volgende bladzijde: ‘ja, gelukkigheid, het begint koud en moeizaam in’, en verder naar de pagina erna, in een grote, rood gekleurde zon het woord ‘de Winter’ met daaronder een piepklein roodborstje met een vraagteken boven zijn hoofd. Volgt uitgebreid een verhaal over persoonsverwisseling en wederopstanding, waarin de schrijfster de lezers en lezertjes geduldig aan het handje meeneemt. Tekeningen en tekst vormen een perfecte symbiose, evenals de roodborsten zelf. Het geheel is geraffineerd opgezet in de taal van een kind, met veel puntjes, hakkelingen, spanningopbouw naar de volgende bladzijden, tussen haakjes geplaatst commentaar en herhalingen. Met als sluitstuk de moraal van het verhaal en de waarschuwing dat dit een vertelling is die men vooral NIET aan vogels moet voorlezen. Een ieder moet deze schitterend getekende vertelling vooral zelf zelf consumeren. En daarbij de kinderen niet vergeten.

In Neerbraak (1969) beschrijft Harmsen van Beek uiterst beeldend waar het haar om gaat, haar poëtica:

Een duizendpoot zag ik, in de badkamer, waar zo’n dier natuurlijk niet hoort, en gratie Gods dat is tederheid, zo’n duizendpoot die zijn toch al geringe gewicht verspreidt over al die voetjes. Dit is nu een neerbraak. (Bedenkende vooral dat bijna iedereen duizendpoten repulsief vindt.) […] Met dàt verschil ten opzichte van andere vormen van literaire berichtgevingen, dat in een echte neerbraak zich zo kies mogelijk een geheime prikkel tot ontroering moet verbergen, die ’s lezers gemoed ontvankelijk maakt voor opvattingen (omtrent het behandelde onderwerp) die afwijken van of zelfs tegenovergesteld zijn aan zijn eigen manier van denken. Je zou kunnen zeggen dat een neerbraak moet zijn: de neerslag van een gedachte over het een of ander van een schrijver, zó geformuleerd dat een (voor)oordeel wordt doorbroken bij de lezer.

Ziedaar het programma van Harmsen van de Beek dat zich moeiteloos uit al haar teksten laat lezen en daar naadloos bij aansluit.

Twee raadselrijmen die samen een antwoord vormen dat bij nader inzien is zoekgeraakt vormen beide de, poëticale, openingsgedichten van Geachte Muizenpoot. Het laatste gedicht van de bundel Interpretatie van het uitzicht verscheen al in 1958 in Tirade, de raadselrijmen dateren uit 1963. Aan het begin de slotverklaring, zou je kunnen zeggen, opgeschreven als twee lange dichte tekstblokken, in afwijkingen van de overige gedichten die alle uit tweeregelige strofen bestaan.

Wat een ding ben ik in goed en kwaad?

In oorsprong omhoog gevallen maar groeiend lager

en ondermaanser steeds zich vermoeiend en kwijtend

van stoeten ritseldingen die eerder als vleugel-

reuzen boven hun hemel hieven

En in het pendant:

In goed en kwaad waarachtig ben ik geweten,

bekend en ontraadseld door wie mij onder vonden

voorheen zo ondoorgrondelijk en ben ik blootgelegd.

En ten slotte:

                                              Als

niemand mij dan thuis

kan brengen alvorens ik verloren ga als dubbel

zinnigheid zonder gelijke, als radeloos totaal onopgelost,

valt geen extatischer vergissing in liquidatie te begrijpen

dan ik die alleen waarachtig tot oplossing bederven moet.

Met enige moeite kan het gedicht gelezen worden als een ontroerende, maar vergeefse oproep van iemand die gekend wil worden, hoe dubbelzinnig en raadselachtig die zich ook voordoet. Tot een eenzame, pijnlijke roep om liefde. De zwaarte van het bestaan, de troost die uiteindelijk alleen bij de dieren, ‘ritseldingen’, te vinden is, het verzandt bij Harmsen van Beek echter nooit in platte pathetiek. ‘In hoe een ding ben ik zo zoekgeraakt?’.

Populaire gedichten in Geachte Muizenpoot werden: Goedemorgen? Hemelse mevrouw Ping, met die grappige laatste strofen:

O halmstaartige voortreffelijke,

kijk, zwijgzame zwakzinnige allerliefste,

er loopt een belangwekkend, héél klein maar

bijzonder lekker beestje tussen de kiezelstenen

onder de hemelsblauwe hortensia

(Aan mijn neerslachtige poes, ter vertroosting

bij het overlijden van zijn gebroed)

En het hilarische:

Geachte Muizenpoot,

Hoe gaat het me U, met mij goed. Wel is alles heel

vervelend, als ik voorover lig gebed in mijn gedachten

aan U en ben ik ook heel eenzaam. En onderga de lente

als een flauwte

En ook al wordt hier een verloren gegane liefde betreurd, de toon blijft opgewekt:

En sta ik radeloos onder

onzuiver groen in dit en komende seizoenen: mijn hoofd

tot hatens toe, mijn hout tot bladeren bedorven en

schrijven wij pas mei

Kus of ik schrijf, de bundel die in 1975 verscheen bevat gedichten die alle eerder in Maatstaf (‘Op de wiede’ verscheen in Tirade) verschenen. Het bevat de prachtige gedichten: ‘Voor Gilles’, ‘De geschiedenis van in de trein’, ‘Beauty en Decay’ en ‘Allerzielen 2 november 1974-Overdenking’:

Lieve Mamma. Hoe gaat het met je en Pappa,

en Oma en het wéér daarzo? Warm en vrolijk voor

jou en voor hem zeekleurig en geurend naar haven-

water, klotsend langs die schepen waar je nooit

niet op wou, eigenlijk, en voor Oma: prettig vinnige

kou, zodat ze je in huis kan houden, bedolven onder

zelfgebreid en onverslijtbaar ondergoed?

De gedichten in deze bundel zijn stukken toegankelijker, maar lijken een zekere sleetsheid en meligheid te vertonen. Het kan aan mij liggen, maar het lijkt erop dat de dichteres weinig puf meer had en zich ervan afmaakte, bijvoorbeeld om de uitgevers te plezieren, die altijd maar weer om nieuw werk vroegen. Theo Sontrop in de ‘Theorie van de Einzelgänger’ met regels als: ‘Alles goed en wel, maar nu, die Theorie, die/van de lonely woelf, waar je het over had’/ ‘Jazeker, wacht maar eventjes en rustig an, komt/zo in orde, als ik die al zee: Wel eens van zeearends/gehoord? De laatste in ons koninkrijk bevond zich,/waarschijnlijk lichtelijk gestoord, te Deventer’.

En Geert van Oorschot in ‘Eenge-Dicht’, hoewel ze er in de laatste strofe (het gedicht duurt vier pagina’s) blijk van gaf er zelf ook niet kapot van te zijn: ‘Ja Geert, als ik de tijd had die, men beweert/niet echt bestaat, maar had, schreef ik je/ beter dingen, o, un petit moment en ik ben/zó weer op de been, met al die acht, zes, vier/of dertien potigen: die twee maal vier-hier/om me heen (nog een geluk), om meer nog, nòg/absurdrieteiten, je voor de grap eens voor te/zingen’.

Al in de zeventiger jaren is opgemerkt dat Harmsen van Beek zich met één bundel onsterfelijk heeft gemaakt en dat al het overige bij- of nevenwerk is. Dat mag misschien zo zijn voor de bijdragen aan Vrij Nederland en Maatstaf (hoewel daarin ook haar aparte blik op de dingen overheerst). Maar ik vraag me af of dat ook geldt voor Wat knaagt? (1968), Neerbraak (1969), Gewone Piet & Andere Piet (1969) en Hoenderlust (1972), prozawerken die tussen Geachte Muizenpoot en Kus of ik schrijf in verschenen. Recensenten besteedden er weinig tot geen aandacht aan, noemden dit werk ‘grotesk’ en niet goed in de traditie in te passen (Fontijn, Fens, Bulthuis). Alleen Wam de Moor betrok daarbij ook de gedichten. Kus of ik schrijf werd ontvangen als een bundel van een dichter die tien jaar had gezwegen. In haar dissertatie Fritzi en het groteske (2003) heeft ten slotte Annie van de Oever het werk systematisch onderzocht en in zijn geheel ingelijfd in de groteske literaire traditie met zijn wortels in het Russisch formalisme en daarbij ‘grotesk’ niet meer beschreven als marginaal literair subgenre.

Wat knaagt? en Neerbraak lijken, hoe geestig ook, hun bestaansrecht ondertussen hoofdzakelijk te ontlenen aan het inzicht dat ze geven in poëtica en levensgevoel van de schrijver. Gewone Piet & Andere Piet daarentegen en in mindere mate ook Hoenderlust zijn wat mij betreft zelfstandige, groteske (in de zin van averechts en haaks op de traditie staande) werken, waarbij het hartveroverende eerste het verdiend zo gauw als maar enigszins mogelijk is als apart (kinder)boek uitgegeven te worden. Dat de literaire traditie niet goed uit de voeten kon (en kan, zie het artikel ‘Onverwoestbaar monter’ van Piet Gerbrandy in De Groene Amsterdammer van 7 juni 2012) met deze werken, lijkt ‘logisch’. Wat moeten we met geïllustreerd proza van een schrijver die beroemd werd vanwege haar poëzie en dankzij die poëzie een haast mythische status ten deel viel. Dit, samen met de weerzin van de schrijver/dichter zelf een eigenstandige schrijversidentiteit op te bouwen, mag wellicht voldoende verklaring zijn voor de plek in de marge die Harmsen van Beek in de literatuurgeschiedenis heeft gekregen. Evenals overigens voor haar nieuwe status als curiosum (zie voor dat laatste het zwijmelende -de term is van haarzelf- artikel dat Tjitske Mussche onder de titel ‘Krankzinnig mooi’ schreef in de VPRO-gids van 30 juni t/m 6 juli 2012).

Tot slot: al kletsend in onaffe, almaar uitwaaierende zinnen stelde Harmsen van Beek existentiële vraagstukken aan de orde. Overigens met behulp van een enorme belezenheid. In ’13 manieren om in tranen uit te breken’ lezen we dat ze al op jeugdige leeftijd Spengler las: ‘Nu heb ik, in mijn prille jeugd, lang voordat ik de Duitse taal machtig was, Oswald Spengler gelezen, om mijn vader te verbluffen (en verblùft was hij), daaruit een soort spooky voorgevoel van nevelachtig onbehagen omtrent alles wat ik had gehoopt dat positief zou uitvallen in mijn leven overgehouden, nogal terecht denk ik, naderhand, zodat, mij bewust zijnde van de hand over hand toenemende degeneratieverschijnselen, (mijn kat krijgt een katje en het lijkt wel een aap, mijn hond is eigenlijk net een salamander), en de hiermee in verband staande afnemende seksuele potentie, (op school leert men mijn kind: Fik gaat op Mien, Mien gaat op Zus en als ik uit het raam kijk zie ik in het verschiet weilanden vol koeien die elkaar het hof maken, waarom niet trouwens) en allerlei andere nivelleringsverschijnselen, ik er dus eigenlijk niet van op had hoeven zien dat ik opeens niet meer tot tranen te ontroeren zou zijn, óók ik niet meer.’

Diepe drijfveer is het persoonlijke, niet autobiografische. De schrijver/dichter kijkt bij zichzelf naar binnen en schotelt ons vervolgens geniale, ondermijnende, hartverscheurend oprechte teksten voor en precies dát is wat het werk Harmsen van Beek zo oorspronkelijk en groot maakt. Haar stijl dus, en toon.

Toch snap je nu beter waarom ze Un certain Plume (1930) van de Franse schrijver Henri Michaux vertaalde: Plume (1972), een reeks absurde verhalen met als hoofdpersoon de underdog Plume, een man die moeite heeft zich aan te passen en daardoor voortdurend in gênante situaties terecht komt. J.F. Vogelaar schreef in Raster 77: ‘Telkens veert hij weer op, alsof hij dezelfde situatie nog eens herhaald wil zien; met elke terugval – zelfs binnen een episode – wint Plume aan afwezigheid.’

Jane Leusink

F. Harmsen van Beek – In goed en kwaad. De Bezige Bij, Amsterdam, 256 blz. €29,90.

Webwinkel

0

Reacties