‘Ik lees vrijwel altijd een boek tweemaal achtereen. Het is jammer dat ik op die manier niet veel kan lezen. Er staat echter tegenover dat het verhaal helemaal tot mij doordringt’

Owen Donkers (1977) heeft geen auto, televisie of mobiel. Hij schrijft. Met IJsbrood komt hij toe aan zijn derde roman. Of wellicht is het met 108 pagina’s een novelle. Gezien de vage richtlijnen houdt hij het zelf bij ‘kleine roman’. Een gesprek met Owen Donkers over IJsbrood, boeken herlezen, inspiratie tijdens het hardlopen en zijn helden Brouwers en Boon.

De statistieken leren ons dat de schrijver in Nieuwegein geboren werd, in Groningen studeerde en naar achtereenvolgens Amerika, Frankrijk en ten slotte Bennekom verhuisde. Wie vanwege Donkers omzwervingen een swingende wereldroman verwacht komt bedrogen uit. IJsbrood is een ingetogen drama, een minutieus en met finesse opgetekend relaas over een gebroken gezin. Opvallend aan de stijl is de kracht van dat wat níet gezegd wordt. Niettemin is het kraakhelder dat de moeder de benen heeft genomen. De dochter heeft het altijd al gezegd: ze gaan scheiden. Vader zegt dat ze een tijdje weg is. Maar wat is een tijdje? De jongen die zijn pubertijd nog niet heeft bereikt zit er maar mee. Het (ijs)brood dat moeder uit de diepvries haalde illustreert het gemis van een compleet gezin. Nu stopt vader hem ’s avonds vijf euro in de hand om langs de snackbar te gaan. Ondertussen raakt hij in de ban van dammen, zowel in school- als clubverband.

Geheel volgens het credo write what you know speelt het verhaal in de jaren tachtig. Hoe zit dat met een gebroken gezin. Komt dat ook uit je eigen omgeving?

Ha!

Kom ik te dichtbij?

Over zulke vragen heb ik van tevoren over nagedacht. Ik weet alleen niet meer wat ik besloten heb te antwoorden. Ik heb nu drie boeken geschreven. Die zijn niet zomaar uit de lucht gegrepen. Ik hou niet van verzonnen verhaaltjes, ook niet om te lezen. Als ik een jongen opvoer doe ik dat het liefst in de tijd waarin ik zelf ook zo oud was. Dat is makkelijk, want dan hoef ik niets te bedenken en geen research te doen. Het is echter niet zo dat ik opschrijf hoe alles precies is gebeurd. Ik ben niet geïnteresseerd in mijn autobiografie. Ik wil gewoon een goed verhaal vertellen. Hoe het in mijn herinnering is gebeurd is dan niet zo interessant. Het staat mij vrij alles aan te passen in het belang van het verhaal. Wat betreft dat gebroken gezin. Laat ik het erbij houden dat het niet helemaal uit de lucht is gegrepen.

Auteursfoto: René Koster

Auteursfoto: © René Koster

Wat denk je als je Julien, je debuutroman, uit 2009 herleest?

Dan ben ik daar niet langer honderd procent tevreden over. Ik zie mindere dingen die ik eerder niet zag. Nu zou ik het anders doen, qua stijl, wat ik vertel, hoe ik het vertel. Ik vind het echter nog steeds een leuk boek en sta nog steeds achter het verhaal.

Frank Heinen van 8Weekly en tegenwoordig HP/De Tijd schreef over je tweede roman Calippo Cola: een kaal verhaal. Eens?

Ja. Kaal, maar op een positieve manier, compact en zonder te veel tierelantijnen. Dat was ook nodig. Het verhaal liet zich niet op een andere manier vertellen. Bij IJsbrood is de stijl iets minder bondig.

IJsbrood is een apart woord. Bestaat het echt?

Ik ga het straks gelijk opzoeken, maar volgens mij staat het niet in het woordenboek. Het is iets wat de jongen verzint. Brood uit de vriezer, dat is ijsbrood.

Was er een bepaalde reden waarom je het verhaal deze titel meegaf? Had je die in je hoofd toen je het schreef?

Het werk was al bijna gedaan, maar een titel had ik nog altijd niet. Daar zat ik best over in. Twee keer per week ga ik hardlopen. Terwijl ik dat doe bedenk ik de juiste formuleringen voor zinnen waar ik niet uitkom. Dat werkt voor mij. IJsbrood schoot me te binnen toen ik mijn rondje liep. Ik vind het zelf een goede titel, als ik dat mag zeggen – anders had ik die niet gekozen. Het is een klein detail in het verhaal, maar doordat ik er de titel van heb gemaakt krijgt de scène meer nadruk, en die scène is vrij belangrijk.

IJsbroodDonkers

Schrijf je moeiteloos?

Helemaal niet. Het gaat heel langzaam. Alle woorden en zinnen moeten precies goed staan. Dat duurt heel lang, dat is wel irritant. Op een gegeven moment staat het er zoals het er moet staan. Volgens mij zijn er ook auteurs die veel meer doorschrijven, tien pagina’s per dag. Dat is bij mij helemaal niet het geval.

Als je begint aan een verhaal, weet je dan direct wat je wilt?

Ik heb altijd een plan dat ik systematisch probeer uit te voeren. Meestal bedenk ik van tevoren alle scènes en is in principe het hele verhaal helder. Het eindresultaat wordt echter altijd anders en lijkt in niets meer op het oorspronkelijke idee. Na een paar dagen schrijven merk ik dat het niets wordt, dat het slecht is. Dan maak ik weer een nieuw plan. Zo is het tot nu toe elke keer gegaan. Calippo Cola heb ik vier keer herschreven. Dat is frustrerend. Dan zit ik wekenlang te schrijven en moet ik uiteindelijk alles weggooien. Dat was met IJsbrood ook het geval. Eerst had ik alleen de verhaallijn met het gezin. Pas later wist ik dat het dammen erin moest komen. Toen werd alles weer anders.

Tzums recensent en columnist Guus Bauer heeft het over kinderlogica. Tussen aanhalingstekens, dat wel. Er zit een kern van waarheid in, vind je niet?

Kinderlogica? Nee, dat vind ik absoluut niet. Die suggesties wil ik direct terugfluiten. Ik ben geen kinderboekenschrijver, heb nadrukkelijk geen kinderboek geschreven en ben niet geïnteresseerd in kinderboeken. Misschien kunnen kinderen het ook waarderen, maar zo was het zeker niet bedoeld. Onlangs werd IJsbrood op Radio 1 besproken. De presentatrice, en dat vond ik irritant, suggereerde op een gegeven moment ook dat het een kinderboek was. Voor je het weet sta je bij de jeugdboeken. Dat wil ik niet.

Was het daarom lastig een perspectief te bepalen?

Het zou kunnen dat ik de eerste versie in de derde persoon heb geschreven, maar die heb ik nooit afgemaakt. Al vrij snel kwam ik bij de eerste persoon uit, die van de jongen. Ik realiseerde me dat veel van de woorden die ik gebruikte niet passen bij een jongetje van die leeftijd. Bij wijze van onderzoek heb ik veel boeken gelezen waarin kinderen de hoofdpersonen zijn. Ik wilde weten hoe anderen het aanpakken, of ze het kind aan het woord laten, en of je als lezer in de gaten hebt of je niet stiekem de auteur hoort.

Heb je iets aan de research naar kinderen als hoofdpersonen gehad?

Daar heb ik van geleerd dat veel schrijvers het proberen, maar dat ze, als je goed leest, door de mand vallen. Er was een uitzondering: Theo Thijssen met Kees De Jongen. Op een gegeven moment ging ik voor mijn verhaal alles wat niet het taalgebruik van zo’n jongen was in rood markeren. Alle mooie formuleringen vielen toen af. Toen ik klaar was zag het hele manuscript rood. Toen dacht ik: dat ga ik niet doen, want door zo’n perspectief te kiezen beperk je jezelf.

juliendonkers

De jongen damt. Jij ook. In het verhaal wordt geschreven dat mensen die over dammen horen altijd over schaken beginnen. Ervaar jij dat ook zo?

Om de een of andere reden zeggen mensen dat inderdaad altijd. Ik begrijp het wel een beetje, maar niet helemaal. Ik zie wel hoe ze met elkaar te vergelijken zijn. Allebei een denksport met een bord.

Als tennis en badminton?

Bijvoorbeeld. Misschien als je aan badminton doet zeggen mensen ook altijd: hè ik vind tennis leuk. Het is net zoals de jongen in het boek zegt. Als mensen zoiets zeggen weet je al van tevoren dat ze én van dammen én van schaken geen verstand hebben. Ze zeggen het maar om er van af te zijn. Je kan er beter helemaal niet op ingaan.

Hoe ziet je damleven eruit?

Net als de jongen ben ik via schooldammen bij een club terecht gekomen. Op school kwam ik de eerste keer niet in het team. Daar baalde ik zo van dat ik dacht, verdomme, nu zal ik zorgen dat ik er volgend jaar wel bij zit. Daarom ben ik bij een damclub gegaan, want ik vond het echt leuk. Rond mijn twaalfde, dertiende ben ik daar gestopt. Niet lang nadat we terugkeerden in Nederland ben ik weer bij een club gegaan. Dat was in 2011, de periode waarin ik begon te werken aan IJsbrood. Ik ben echter helemaal niet goed. Laten we zeggen dat de beste vijftig dammers van Nederland zonder problemen van mij winnen. In mijn jeugd heb ik zo’n grote achterstand opgelopen, die loop ik nooit meer in. Als je er van je twaalfde tot je twintigste niets aan doet kom je nooit meer bij de echte top, dan heb je te veel gemist. Dat is met alles wat je in je tienerjaren overslaat, of dat nou volleyballen of pianospelen is.

En schrijven dan?

Dat is een interessante vraag. Schrijven is niet anders dan andere disciplines. Als je talent hebt en je werkt eraan kun je beter worden. Oefening baart kunst. Als schrijver denk ik echter niet dat je per se de tienerjaren nodig hebt om talent te ontwikkelen.

Wanneer ontdekte je dat je potentie had?

Toen ik een jaar of zeventien, achttien was. Niet per se potentie, maar toen kwam ik erachter dat ik schrijven leuk vond. In die tijd schreef ik veel. Verhalen, en vooral ook poëzie. Nadat mijn studie in Groningen mislukte heb ik lang gewerkt. Toen heb ik er tussen mijn twintigste en vijfentwintigste niets aan gedaan. Toen we tien jaar geleden naar Amerika verhuisden ben ik weer begonnen. Ik dacht toen: nu moet ik kijken of ik het inderdaad in me heb. In die tijd heb ik veel geschreven, en stuurde ik diverse verhalen op naar uitgeverijen. Die wezen ze af, en ze hadden gelijk. Die verhalen heb ik gewoon gedeletet. Een druk op de knop en weg waren ze. Alles zit echter nog in mijn hoofd. Als ik er ooit nog iets met die ideeën wil doen zou ik het totaal anders aanpakken, dus ik heb geen spijt dat ik alles weggegooid heb. Inmiddels heb ik drie boeken gepubliceerd, dus ik geloof dat ik het wel een beetje kan.

Hoe ziet je lezende leven eruit?

Ik lees altijd, maar langzaam. Vrijwel altijd lees ik een roman twee maal achtereen. Dat doe ik sinds een jaar of vijf, zes. Het kan voorkomen dat ik een maand lang met een boek bezig ben. Er zit een stukje professionele interesse bij, want ik wil zien hoe anderen het vak aanpakken. Wellicht kan ik er zelf iets van oppikken. Daarnaast ontdek ik tijdens een tweede leesbeurt veel dingen die me de eerste keer ontgaan. Dat is bijna altijd het geval. Sommige boeken zou je eigenlijk meerdere keren móeten lezen, anders mis je de helft. Toen ik twintig was heb ik De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon gelezen. Onlangs las ik het weer, gevolgd door nog een keer. Toen was ik een maand bezig in één roman. Het is jammer dat ik op die manier niet veel kan lezen. Er staat echter tegenover dat het verhaal helemaal tot mij doordringt.

calippocoladonkers

Als je los van het alfabet twee schrijvers mag kiezen waar je boek in de winkel tussen komt te staan, voor welke kies je dan?

Ik sta altijd naast Renate Dorrestein. Als ik mag kiezen ga ik voor slechte schrijvers, dan pikken de mensen mijn boek eruit, haha. Maar als je vraagt welke schrijver ik goed vind, dan is mijn eerste keuze Jeroen Brouwers. Ik heb veel respect voor de boeken van hem, vind zijn hele oeuvre knap en bijzonder. Als ik zelf over veertig jaar zoiets heb ben ik ontzettend tevreden. Aan de andere kant mag Louis Paul Boon staan. Hij is echter wel een vervelende schrijver. Als je hem leest word je als schrijver zijnde ontmoedigt. Dan denk ik: waarom zou ik nog moeilijk gaan doen? Hij heeft het allemaal al geschreven, en op zo’n goede manier ook dat niemand nog een boek hoeft te schrijven.

Zie je jezelf over dertig jaar nog steeds schrijven?

Dat hoop ik wel te doen. Ik neem het erg serieus. Volgens mij heb ik nog voldoende inspiratie en genoeg om te vertellen. En ik vind het leuk om te proberen beter te worden. Om te kijken of ik echt mijn bepaalde mate van vakmanschap kan bereiken. Ik vind het interessant, en doe niks anders, kan niets anders. Dan kan ik net zo goed proberen de beste schrijver te worden die ik kan zijn.

Owen Donkers – IJsbrood, Thomas Rap, Amsterdam, 108 bladzijden, € 16,90.

Donkers’ auteurspagina bij zijn uitgever

1