Een geheugen van oneindige voortglippendheid

Als Antjie Krog je bij je lurven te pakken heeft, laat ze je niet meer los. In haar achttiende gedichtenbundel, Medeweten, presenteert ze gedichten die sprankelen van de vitaliteit, die getuigen van een enorme betrokkenheid en die zoeken naar begrip van de wereld. Op lyrische wijze behandelt ze het ouder-worden, het moeder-zijn, het grootmoeder-zijn, het bestaan en de transformatie die Zuid-Afrika ondergaat. In het gedicht met de titel ‘Mirakel’ verwoordt ze het als volgt:

ek glo nie aan wonders nie maar / die vreedame vrymaking van my land // was ’n wonder – onkant en lighoofdig bly / dit my by      die weergaloosheid bly my by.

En verderop:

ek weet die land wat nou in proteste is / eenmalig gefabriseer uit hoop- dit bly my by.

Maar ze maakt zich ook zorgen en dan met name over de politieke leiders, want zij produceren ‘waaiergeluide’ en wat ze zeggen is ‘gortdor van niksheid’. Direct relativeert ze de aansprakelijkheid van alleen de leiders door het grote plaatje te schetsen. Wij hebben allemaal een verantwoordelijkheid:

ons is besig om die prooi van onsself te word/ vasgevang in hebsug en ’n onvermoe tot visie // ons het geen benul meer van hoe om anders te wees as / gewelddadig en angstig, as brutaal tenoor mekaar nie.

Die gezamenlijke verantwoordelijkheid zit ook al verankerd in de titel van de bundel, Medeweten. Medeweten is geen medeplichtigheid en ook geen schuldbewustheid. Het impliceert wel dat als je eenmaal weet van iets hebt, dat je dan een keuze hebt: wat doe je met wat je weet? Je keuze bepaalt wie je bent. Waar kun je mee leven? Krog duwt je met je neus op het feit dat je een rol te spelen hebt in het leefbaar maken en houden van de wereld. Vraag je daarbij steeds af: wat maakt mij anders dan de ander? Krog vraagt zich af of er wel verschil tussen mensen. Ze bevraagt dat verschil krachtig in het gedicht ‘om te ver-jy’:

om uit- /mekaar-te-haal / die ek / van die ook-ek / die jy / van die verdagte byna- / jou- in my (…) maar waar / begin/jou issende ek? // Op die plek waaar die ek soos jy is / of daar waar jy dink / dat die ek anders as jy is?

Het idee dat God in alles en iedereen zit en dat God al door ieder gekend is, sijpelt in veel van haard gedichten in deze bundel door. In ‘n dogtertjie in die tuin’ staat dat in de Nederlandse bijgevoegde vertaling als volgt:
een meisje vouwt haar hand open: ík / heb net op tijd een bij uit het water gered / want ik praat Bij’s ze weet het en ze weet / het ook niet: hoe ze met haar strakgebonden haren / en boerenvoetjes al deelt in het waarachtige / niemand hoeft haar ooit iets over God te leren

In die gedichten waar het om het symbiotische bestaan van mensen, dieren, God gaat, klinkt haar be- en verwondering over het bestaan door. Antjie Krog gebrukt juist in die gedichten veel neologismen en nieuwe vormen, alsof ze op zoek is naar een idioom dat ons kan leren om waarlijk samen te leven:

een antilope staat bij een poel           het is winter
(…)
ik stop: de antilope het water de vlakte
de bergen branden zich in mijn netvlies ik kan voelen
hoe iets in mij probeert open te gaan dat zoekt naar hoe
de antilope het water de bergen deel uitmaken

van een geheugen van oneindige voortglippendheid

hoe weten zij van elkaar?

(Uit: ‘In ’n eland staan by ’n kuil’)

Gelukkig zijn de gedichten voor een juist begrip voorzien van een uitmuntende vertaling in het Nederlands, gemaakt door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer. Het Zuid-Afrikaans is voor een Nederlander die de taal nooit geleerd heeft een mysterieuze taal die je lijkt te begrijpen. Maar dankzij de vertaling leer je de nuanceverschillen goed kennen en lees je niet over interpretaties heen. De vertalers hebben zich heel strikt gehouden aan de vers- en strofebouw en aan alle vormexperimenten die Krog in haar gedichten uitvoert. Maar ook haar woord- en klankspel hebben ze in de vertaling op een juiste wijze weten te vatten. Voorwaar geen sinecure, want Krog bedenkt veel neologismen en nieuwe vormen. Typografisch ziet de vertaling er steeds hetzelfde uit als het origineel en dat is een bijzonder knappe prestatie.

Er blijft veel dat ‘ek nie versta nie’, ook na het uitgebreid bestuderen van deze bundel. Krogs gedichten zijn van een hoog intellectueel niveau en ze getuigen van een intrigerend intertekstueel spel dat ver over de Zuid-Afrikaans grenzen heen reikt. Achterin haar bundel somt ze in een Verantwoording op met welke werken (31!) ze in ieder geval in gesprek is in haar gedichten en van welke dichters er sporen te vinden zijn in haar werk; voorbeelden zijn Ingeborg Bachmann, Paul Celan, David Grossman, Carl Gustav Jung, Erwin Mortier. Het enige wat in deze zeer rijke en uitdagende bundel ontbreekt, is een CD waarop Antjie Krog zelf haar gedichten ten gehore brengt, want haar voordracht versterkt de band tussen klank en betekenis. Ook komen haar compassie, contemplatie en vitaliteit dan nog beter tot hun recht, want er is niemand die zo mooi kan fluisteren, flemen of fulmineren als Krog tijdens een optreden.

Miriam Piters

Antjie Krog – Medeweten. Vertaald door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer. Podium, Amsterdam, 260 blz. € 25,-.