En smaak daarvan de zoete pijn

In ‘Trompe-l’oeil’, Wiel Kusters’ bijdrage aan de bundel Kwam iemand in de tuin vanmiddag (2005), beschrijft hij treffend de overleden dichter C.O. Jellema: ‘weggevlucht/onhandig pogend/zich te verschuilen maar/zichtbaarder dan ooit/niet wetend waar te blijven,/binnen of buiten:’. Dezelfde verscheurdheid lees ik in het gedicht ‘Kleine’ dat in Kusters’ dit voorjaar verschenen bundel Hohner staat:

Kleine mij ontboren broer,
oudste van me, nooit gekende,
zaadje van mijn vaders lendenen,
vruchtje van je moeders schoot,
aan wiens glimlach ik niet wende
toen een kleinzoon hem mij bood,
licht dat door een schaduw voer,
leven dat het sterven mende,
engelbroertje, licht als lood,
bij mijn komst sta aan het roer.

Kusters HohnerHet begin van het geboren worden is ook het begin van het verdwijnen van een waarschijnlijk dood geboren broertje (dat de ik in het gedicht door de neus geboord wordt). Tegelijkertijd verschijnt datzelfde broertje veel later in het levende lichaampje van een kleinkind. En dat doet (ook) pijn. Fraai, die verdubbeling van zowel het kind als het licht, ook door de bondige wijze van zeggen. Maar mij treft ook ontroering bij die glimlach die maar niet wil wennen en bij de oproep aan het gestorven broertje de leiding te nemen als straks de scheiding tussen hen zal worden opgeheven. Het is mooi om te zien hoe in dit korte gedicht talig vernuft en gevoel samen optrekken.

In het indrukwekkende ‘Hohner’ gedenkt Kusters zijn dode vader én een andere, ook gestorven broer. Hij ontdekt in een la spullen van zijn vader en beschrijft deze gedetailleerd. Maar hij ontdekt vooral de Hohner mondharmonica, de Echo harp van deze broer. Hij zoemt in op het doosje waarin het instrument zich bevindt, beschrijft het berglandschap daarop afgebeeld en de man die langs een pad naar ons toe loopt. Hij ziet in deze man zijn broer die ‘uit het gebergte van zijn dood / nader treedt’. Vervolgens zet de dichter het instrument van de broer aan zijn eigen mond maar hoort dan slechts zijn adem:

het is een ademen
een ademen alleen
in in in

en een janken
zoals vroeger nooit
door hem
geuit.

Je hoort meteen het muzikale thema uit de film Once Upon a Time in the West waarin ook een dode broer wordt herdacht. En in het gehele gedicht loopt op de achtergrond de dichter Kopland mee die in ‘Johnson Brothers LTD’ op een zelfde wijze de herinnering aan zíjn vader levend houdt.

De dichter Kloos ontmoet ik in ‘Eindeloze deining’. Samen met zijn oudere broer heeft de ik ontdekt hoe overweldigend de aanblik van de voor de eerste keer geziene zee is: ‘Mijn broer toonde mij de zee. / Ik dacht nog aan geen maat of rijm. / Hij zag haar zelf ook voor het eerst. / Meer vloed kan eb niet zijn.’ Schitterend. Maar de broer krijgt vijfenveertig jaar later een dodelijke ziekte die hem volledig verlamt. Vooral ironie zie ik in de regel over deze broer die ‘door Gods geklots verlaten was.’ Een effect dat nog versterkt wordt door de beschrijving van de harde alledaagsheid van zijn ziekteproces. Van het niet te verdragen gruwelijke moet je afstand houden. Wanneer de broer sterft omdat zijn hart ‘geen uurwerk wilde zijn’, aangestuurd door een machine, laat Kusters een extra regel wit open, en even houden we onze adem in.

Dan schrijft hij, en hij maakt daarmee het gedicht rond: ‘God heeft hem met zichzelf verward/zoals de zee haar schuim met rijm.’ Kijk, dat laatste vind ik nu net iets te nadrukkelijk.

Hohner heeft twee afdelingen, ik bespreek alleen enkele gedichten uit de eerste, ‘Geboorteregister’. Het thema van deze gedichten: verlies, gemis, rouw wordt als het ware tot een conclusie gebracht in ‘Quelqu’un m’a dit’. In dat gedicht vertelt een vader aan zijn zoon dat het verleden een allesoverheersende schaduw is waarvan je niet kunt loskomen. In het antwoord van de zoon klinkt verzoening door, maar ook wanhoop: ‘Ik wist dat ik mijn leven/moest beginnen, maar niet waar, wanneer/of hoe.’ En dan komt de onnavolgbare regel ‘Ik deinde eindeloos in mijn/zinnen heinde. Je was zo moederlijk en ver.’ Het gedicht krijgt hier een nogal onverwachte dreun, zowel door het rijm als door de plaatsing van het woord ‘heinde’. Ik viel er aanvankelijk hard over, maar gaandeweg mijn lezen nam de slotzin het toch over: een moederlijke vader, dichtbij en veraf tegelijk.

Het blijft een boeiend intellectueel spel met de taal dat Kusters hier en elders in de bundel speelt. Het houdt echter niet alleen mij, de lezer, op afstand, maar waarschijnlijk ook hemzelf, gedompeld als hij is in zijn eigen schaduw. Het zij hem vergeven waar het de zeggingskracht van zijn gedichten versterkt. Tegelijkertijd verbindt Kusters zich wel met andere dichters: ik noemde al C.O. Jellema, Kloos en Kopland, ook Vasalis komt volgens mij langs en ik lees gedichten over Jan Hanlo en, bij diens uitvaart, Gerrit Kouwenaar. In de bundel staan verder een tamelijk groot aantal korte, puntachtige gedichtjes, die soms raak, soms bijzonder flauw zijn, dat laatste nog versterkt door nadrukkelijk toegepast eindrijm. De door Kusters opgenomen vertalingen van gedichten laat ik buiten beschouwing.

Wiel Kusters, dichter en emeritus hoogleraar Letterkunde, is telg uit een Limburgs mijnwerkersgeslacht. Hij schreef daarover onder andere In en onder het dorp en Schachtsignalen, een lang verhalend, zowel in het Nederlands als in het Limburgs geschreven gedicht. Van zijn hand verschenen ook een groot aantal dichtbundels en essays, naast biografieën over de dichter Pierre Kemp en de literatuurcriticus en essayist Kees Fens. Hohner verscheen in 2015 als tweede deel van de Koppernik-poëziereeks.

Jane Leusink

Wiel Kusters – Hohner. Koppernik, Amsterdam. 56 blz. € 15,-.